is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1882, no 3, 1882

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEDEDEELINGEN VAN MR. J. A. SCHOBEB.

achter, de andere helft komt weer door bladeren, naalden, takken, zaden, hulsels enz. den bodem ten goede. Wordt nu het versch afgevallen strooisel uit het bosch verwijderd, zoo worden, naar het gewicht gerekend, bijna zooveel organische stoffen aan het bosch onttrokken als in het hout door jaarlijkschen aanwas zich vormden. De boschbouw vereischt jaarlijks per Hectare aan anorganische bestanddeelen: beuken, fijnsparren, dennen. tot houtvorming 29,60 Kilo 22,56 Kilo 16,54 Kilo „ stooiselvorming 185,54 135,92 46,52 215,14 158,48 63,06 Hieruit blijkt van hoe groote beteekenis de uit- of afvoer van anorganische grondbestanddeelen is, als het strooisel wordt weggenomen en die alzoo voor de houtvorming verloren zijn. Ontnemen wij aan een fijnsparren- of aan een beukenbosch slechts het strooisel van één jaar, zoo is daarin zooveel assimileerbaar voedingskapitaal aanwezig, als noodig is, voor öjarigen houtgroei; in dennenbosschen is het strooisel van één jaar voldoende voor driejarigen houtgroei. Dat de boschgrond door de strooiselbedekking menigvuldige en diep ingrijpende natuurkundige en scheikundige veranderingen ondergaat , welke direct en indirect van grooten invloed zijn op de ontwikkeling van het bosch, is niet moeielijk aan te wijzen. Inde bosschen vormen de afgevallen bladeren of de naalden met mos en dorre takken vermengd, een meer of minder hooge, luchtige laag, die gelijkmatig over den grond is uitgespreid. De versch afgevallen bladeren en naalden, die inden herfst luchtig op elkander liggen, worden door regen en sneeuw in elkander gedrukt en vormen lagen , waarvan de onderste inden regel bestaat uit zwarte poedervormige aarde, gevormd door omzetting van hetgeen afgevallen is, en bekend onder den naam van humus. Deze grondbedekking bezit verschillende opmerkingswaardige natuurkundige eigenschappen: I°. daarin doen zich eene menigte capilaire openingen voor, die als haarbuisjes werken en het vermogen bezitten, om als een spons, veel water in zich op te nemen en het langen tijd terug te houden; ook zijn die organische bestanddeelen als zoodanig hygroscopisch en bezitten ook het vermogen, door imbibitie eene zekere hoeveelheid water op te zuigen. Deze eigenschap van de strooiselbedekking wordt kortweg uitgedrukt door: wateropnemende en waterhoudende kracht. 2°. Door de beschuttende bedekking worden de toetreding van de lucht en de luchtbeweging verminderd en daardoor de vochtigheid van den grond voor spoedige verdamping bewaard. 3°. De met lucht doordrongen strooiselbedekking is, even als sneeuw een slechte warmtegeleider; vermindert alzoo eensdeels de uitstraling van de grondwarmte, belet anderdeels ook het spoedig indringen van sterke hitte en koude. Dit alles in getallen aan te wijzen zoude te uitvoerig worden, en wordt daarom verder verwezen naar het klassieke werk van

42