is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1884, no 7, 1884

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOSCHGULTUUK EN BOUWLANDEN.

schapenteelt en daarmede van het bouwland, dat was zijne conclusie, door velen gedeeld. En ook hier kwamen wij tot het besluit: uitbreiding der houtteelt, vermindering der bouwlanden, een besluit, dat wel ook elders nog en in andere gewesten wellicht zou gewettigd zijn. Trouwens èn daar, èn hier is de aanleiding daartoe eene soortgelijke en wel deze, dat men aan de gronden zeer dikwijls niet die bestemming heeft gegeven, waarvoor zij meest geschikt waren en geen acht geslagen heeft op den regel, die zegt: alles op zijne plaats en op zijn’ tijd. LANDBOUW EN WETENSCHAP. Tweede verweerschrift. {Vervolg en slot van bladzijde 91.) Ineen vorig Maandblad, las ik tot mijne verwondering een stuk betiteld „Landbouw en Wetenschap” door den Heer Star Nauta, die zelf om eene kritiek van dat stuk verzoekt. Eigenlijk is het stuk alleen eene kritiek waard, om de goede bedoeling die de Heer Nauta er blijkbaar mee heeft, om de landbouwers uit hun slaap wakker te schudden, want dat dit bij velen hoog noodig is, is helaas maar al te waar. Die goede bedoeling is het eenige waardoor zulk eene opeenstapeling van onjuistheden, die noch landbouw, noch wetenschap zijn, leesbaar wordt. Om alles te weerleggen wat in dat stuk wordt beweerd, zou ik te veel ruimte in dit tijdschrift vorderen, alleen enkele te zeer in het oog loopende ketterijen wensch ik te bespreken. De Heer Nauta, die veel gelezen schijnt te hebben over landbouw, maarden indruk maakt, zelf geen kritiek op het gelezene te kunnen uitoefenen, houdt inden beginne van zijne lezing eene tirade tegen hulpmeststoffen; in vele gevallen zijn ze werkelijk onverstandig gebruikt, maar om daarom, zooals onze buren zeggen „das Kind mit dem Bade auszuschütten” gaat toch niet aan. De uitmuntende resultaten, die men op zeer vele plaatsen juist met die hulpmeststofien verkregen heeft, spreken voor zich zelf; dat verschillende proefnemingen ongunstig afgeloopen zijn, bewijst alleen, dat op dien bepaalden grond, die bepaalde mestsoort of combinatie van mestsoorten niet rendeert (als de proef goed genomen is) en dat men derhalve andere moet gebruiken. Het quasibewijs voor de niet-geschiktheid van guano, als mest voor landplanten, vervalt natuurlijk bij andere guanosoorten, die van tijd tot tijd inden handel gebracht worden, zooals o. a. de vledermuis-guano, die, door landdieren geproduceerd, welke landinsecten gegeten hebben, volgens de logica van den Heer Nauta een goede mest voor onze gewassen moest zijn. De werking van beide, als ze in scheikundige samenstelling ongeveer overeenkomen, zooals ze niet moeilijk te vinden zijn, is natuurlijk dezelfde. Dat het land vroeger voortdurend beter werd en ons vee, dat ingekuild voer krijgt, allerlei nieuwe ziekten krijgt, gelooft zeker geen mensch, evenmin als dat er ineen goed ingerichte landbouw-

106