is toegevoegd aan uw favorieten.

Cultura; uitgave van de Vereeniging van Oudleerlingen der Rijkslandbouwschool, jrg 17, 1905, 1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der fokvereeniging te beslissen, wordt dan bij 4-weeksch proefmelken een, hoewel minder betrouwbare, toch nog voldoend betrouwbare basis voor de beoordeeling verkregen.” Wij mogen niet uit het oog verliezen, dat de gegevens der 14-daagsche proefmelking reeds met een zekere onnauwkeurigheid behept zijn; dat dus de verschillen tusschen de 14-daagsche en 4-weeksche deze fout kunnen vergrooten of verkleinen.

Bij langeren tusschentermijn wordt de kans steeds grooter op grooten invloed van toevalligheden, welke zich in eene zaak als deze maar al te veel kunnen voordoen ; wij hebben immers te doen met een uiting van een levensproces, waarop tal van factoren invloed kunnen hebben. Gaat men het aantal waarnemingen verminderen tot de helft, zoo zal men er meer op moeten gaan letten of er zich toevallige omstandigheden voordoen, welke de waarneming van dien dag abnormaal maken.” Geenszins is dit dus uit het oog verloren. Maar al was een dergelijke bewijsvoering gevolgd, ze zou niet zóó vreemd zijn als de heer Ceoesen haar voorstelt, want één gegeven komt er nog bij, t. o. dat men van de grootheid B nog iets weet, n.l. dat ze niet zoo heel veel van C verschilt. Geeft de 14-daagsche controle geen bruikbare gegevens, dan vervallen do conclusies van mijn rapport. Want ik heb eene vergelijking gemaakt tusschen de uitkomsten der 14-daagsche en 4-weeksche controle, en wel met behulp van gegevens, verkregen door de fokvereenigingen zelve, dus onder de juiste omstandigheden. De resultaten zijn te vinden inde bijlage 1 en 2. Een 300 gevallen zijn nagegaan. Beschouwen we nu don verzamelstaat D, bijl. 1, dan blijkt daaruit, dat de genoemde fokvereenigingen, bij haar wijze van werken, van de 304 gevallen in 9 gevallen geen verschil inde hoeveelheid melk zouden hebben gevonden, indien zij slechts om de 4 weken controleerden, in 174 gevallen een verschil van 0.1 tot 2 pet. van de opbrengst bij 14-daagsche controle, in 76 van 2.1 tot 4 pet., in 42 van 4.1 tot 6 pet., terwijl dan nog in 3 gevallen een verschil van 6.1 pet. voorkomt. Wat het vet en de vetvrije droge stof betreft, blijken de verschillen van dezelfde orde te zijn. Eene fokvereeniging stelt telkenjare minimum-eischen vast, wat betreft de productie ; b. v. een vaars moet hebben opgebracht èn 85 K.G. vet èn 240 K.G. vetvrije droge stof, enz.; alleen dieren, welke hieraan voldoen, kunnen worden ingeschreven. De gegevens omtrent de productie vormen één der factoren bij de beoordeeling van de waarde van het dier als fokdier, want de fokvereenigingen blijven de eischen van uitwendigen bouw hooghouden. Wanneer men nu weet de grootte der mogelijke fout, welke een 4- weeksche controle doet ontstaan in vergelijking met de 14-daagsche, on men sluit die gevallen, waarin deze fout van invloed op de beslissing van al of niet opneming is, uit, dan beweer ik, dat men t. o. van de minimumeischen volkomen voldoende gegevens heeft. Het resultaat der opneming in het fokregister is dan volkomen hetzelfde, of men om de 2 weken of om de 4 weken proefmelkt. Wat het gemiddeld vetgehalte der melk betreft, (een gegeven van zeer groote waarde), zijnde verschillen verrassend klein. (Zie bijl. 2) Yan de 304 gevallen vindt men in 197, dus in bijna 2/3, geen verschil of hoogstens 0.05 pet., wanneer men het aantal proefmelkingen vermindert tot op de helft. Aangezien voor het gemiddeld vetgehalte eveneens een minimumeisch is gesteld, kan men ook in die gevallen, waarin het vetgehalte der melk vaneen proefgemolken dier 0.15 pet. (maximum af-

33