is toegevoegd aan uw favorieten.

Cultura; uitgave van de Vereeniging van Oudleerlingen der Rijkslandbouwschool, jrg 17, 1905, 1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij hebben thans voldoende aangetoond dat de invloed van kusten-en continentaalklimaat zelfs in ons land, en dus op eene zeer kleine oppervlakte, reeds zeer duidelijk kan worden waargenomen en gaan thans over tot eene bespreking der waargenomen afwijkingen, d. w. z. tot een bespreking der koude of warme maanden inde lange reeks van waarnemingsjaren die, hoewel hoofdzakelijk van één station, toch een zeer interessant materiaal vormen van 118-jarige waarnemingen 1743 1860. Wij moeten opmerken dat men, niettegenstaande alle mogelijke moeite, geen regelmaat inde afwijkingen kan ontdekken. Zie de tabellen. Wij zien hieruit het volgende; Tot de warmste zomers behoorden : 1765, 1772, 1773, 1779, 1808, 1811, 1819, 1822, 1826, 1834, 1842, 1846, 1857 ; hiervan waren 1826 en 1846 de allerwarmste; in 1846 bleef de temperatuur , met uitzondering van November , het geheele jaar door véél te hoog. Koude zomers kwamen voor in : 1795, 1799, 1800, 1805, 1814, 1816, 1821 ; hiervan was 1799 de allerkoudste, toen de temperatuur, met uitzondering van November, het geheele jaar door véél te laag bleef. Warme winters .kwamen voor in'. 1759, 1761, 1764, 1765, 1773, 1779, 1783, 1790, 1791, 1794, 181 7, 1819, 1822, 1834, 1835, 1836, 1837, 1839, 1840, 1846, 1851, 1852, 1859; hiervan was 1846 de warmste. Koude winters vindt men inde jaren : 1744, 1746, 1748, 1755, 1784, 1785, 1786, 1789, 1795, 1799, 1800, 1803, 1810, 1814, 1820, 1821, 1823, 1827, 1829, 1830, 1831, 1838, 1845, 1847, 1858, 1855; hiervan was de allerkoudste de winter van 1854—1855, toen de som der negatieve afwijkingen van Dec., Jan., Febr. en Maart —17.27° bedroeg; dan volgt 1813 —lBl4 met —16.64° en 1794' 1795 met —13.18° en verder 1784—1785 met -12.44°. Men moet hierbij wèl in aanmerking nemen dat langdurige afwjjkingen de grootste som geven en niet de plotselinge, geweldige afwijkingen, die spoedig weder verdwijnen , zooals bijv. in Jan. 1823 toen de afwijking 7.67° bedroeg, doch de voorafgaande maand te warm en de volgende ongeveer normaal waren. De winter 1854—1855 is daarbjj nog merkwaardig, omdat de maand Februari de grootste negatieve afwijking op één na , aanwijst inde 118-jarige waarnemingen voorkomt, n.1.—7.90° ; alleen in Dec. 1789 was die nog grooter en bedroeg 8.35°. Verder blijkt uit bovenstaande gegevens dat de afwijkingen inden winter zéér veel grooter zijn dan inden zomer ; trouwens dit verschijnsel vindt men overal inde gematigde luchtstreek. Hiermede hebben wij het voornaamste, de temperatuur betreffende, gezegd en rest ons nog eenige opheldering omtrent de directe oorzaak van het weder, nl. de barometerstand en waardoor die wordt teweeggebracht. De met geringe tusschenpoozen het geheele jaar door in het Noordwesten van Europa inde richting W.-N. O. voortgaande barometrische minima passeeren ons gewoonlijk op grooten afstand. Dikwijls echter verplaatst zich de richting meer zuidelijk, vooral inden winter en komen wij dan onder den invloed dezer storingen ; dit heeft tengevolge dat de ons altijd ten noorden passeerende minima een langdurigen Z., Z.-W. of W. wind veroorzaken er dus langdurige perioden van regenachtig en

43