is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1888, no 8, 1888

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BLADLUIZEN.

de Rozenbladluis (Aphis rosae) en vond, dat ééne moeder 4 dagen achtereen, dagelijks 15—20 jongen het leven schonk, welke laatste, 4 dagen oud zijnde, zelve beginnen te jongen. Volgens C. F. Förster is eene bladluizenfamilie in staat om bij gunstig, warm-vochtig weder, ineen jaar minstens 20 generaties te doen verschijnen. Inden herfst legt een van deze generaties eitjes, waaruit na weinige dagen meest wijfjes en daarbij ook eenige mannetjes te voorschijn komen. Na paring leggen de wijfjes weldra op eene verborgen plaats eitjes, die zooals boven reeds opgemerkt is, tot het volgende voorjaar blijven rusten. De kleur der bladluizen is, naar de plant waarop zij huizen zeer verschillend, b.v. die dor Appel-bladluis (A. mali) lichtgroen; die op de Pruimenboom (A. pruni) licht blauwachtig groen en als met meel bestrooid; die op Rozen (A. rosae) meer donker groen; die op de Vlier, de Kersenboom en Groote boon zwartachtig; die op de Linde geelachtig; op de Kool en Meidoorn licht grijs enz. Verscheiden bladluissoorten beperken hare verblijfplaats tot een bepaalde soort van planten, andere daarentegen komen nu eens op deze dan weder op gene plant voor, zoo worden b.v. dezelfde soort van bladluizen op de Papaver, de Anjelier en de Aspergies aangetroffen. Van meest alle soorten bezitten de bladluizen op de rug twee kleine, spitse zoogen. honigbuisjes, waaruit zij een zoet, door de mieren zeer gezocht sap afscheiden. De mieren beschouwen zooals meer algemeen bekend is de bladluizen a. h. w. als hare melkkoeien, streelen haar en geven daardoor aanleiding tot vermeerderde afscheiding van het zoete vocht. De bladluizen zuigen met haren betrekkelijk langen zuigsnuit, een uit drie deelen bestaanden buisvormig orgaan het sap der weeke plantendeelen uit en zij zijn door hun onnoemelijk groot aantal in staat om de planten of eenige deelen daarvan volkomen te vernietigen. Zij zoeken de zachte topjes niet alleen daarom op, omdat zij deze met haren teederen snuit het gemakkelijkst kunnen doorboren, maar ook omdat het sap van de plantendeelen, die ineen toestand van snellen groei verkeeren, het meeste suiker bevatten. Hoe meer het laatste het geval is, des te krachtiger en vetter zijnde bladluizen en des temeer nadeel brengen zij ook nog op andere wijze direct of indirect te weeg. Het door de parasieten niet verteerde suikerrijke sap droppelt dan sterk uit de buisjes en hecht zich aan de lager zittende blaadjes, waar het de kleverige zoogen. honigdauw wel te onderscheiden van de door de zwam van het Moederkoren (Claviceps purpurea) veroorzaakte honigdauw vormt. De honigdauw is dus geen „uit de lucht vallend” produkt, zooals sommige landbouwers nog altijd gelooven. Door het vasthechten van stof en van de afgestroopte huidjes der meermalen vervellende bladluizen, ontstaat eene kleverige massa, waardoor de huidmondjes der bladeren verstopt worden en door storing in het ademhalingsproces der planten deze ziekelijk worden. Indirekt geeft de honigdauw ook aanleiding tot ziekten, doordien de sporen van verschillende schimmelproducten op de kleverig geworden plantendeelen blijven hechten en uitkiemen en alsdan dikwijls veel schade te weeg brengen.

117