is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1889, no 10, 1889

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZUIDERZEEVEREENIGIIfO.

Toch moet wel hetgeen nu reeds inde drie Nota’s is verzameld, ieder belangstellende, deskundigen zoowel als leeken, een goed denkbeeld geven van de kunde en den ijver dergenen, aan wie het werk is toevertrouwd, en aan de reeds verrichtte en nog te verrichten werkzaamheden een onschatbare waarde doen toekennen. Men stelde zich bij den aanvang voor dat de volgende drie ontwerpen dienden beoordeeld te worden: I°. Eene afsluiting volgens eene lijn tusschen <ie Noord-Hollandsche- en Friesche kusten, volgens eene richting over Wieringen of ten Noorden van dat eiland, waardoor wordt afgesloten eene oppervlakte ter grootte van ongeveer 360 000 HA. 2°. Eene afsluiting volgens eene lijn aansluitende aan bovengenoemde afsluitlijn gaande over Terschelling en de oostelijk daarvan gelegen eilanden naar de Groningsche kust, waardoor bij de uiterste richting dier lijn wordt afgesloten eene oppervlakte ter grootte van ongeveer 160 000 H.A. (1) 3°. Eene afsluiting van de waardgronden, die aan de oostzijde van Texel en Vlieland zijn gelegen, waardoor wordt afgesloten eene oppervlakte ter grootte van ongeveer 30 000 H.A. Inde 3e Nota komt de heer Lelij nu tot het volgende besluit. I°. Dat bij eene afsluiting der Zuiderzee volgens eene lijn Noord-Holland-Wie' ringen-Friesland, eene gezamenlijke wijdte der op het noordoostelijk einde van Wieringen te bouwen sluizen van 300 Meter, bij eene diepte van 4.40 M.—. A. P., voldoende is, om eene goede waterloozing te verzekeren. 2°. Dat bij die sluisafafmetingen de bedoelde afsluiting der Zuiderzee eene belangrijke verbetering zal geven voor de natuurlijke loozing en de bemaling van de boezems en polders, die op de Zuiderzee binnen die afsluiting afwateren. 3°. Dat dit eveneens, hoewel mogelijk in eenigszins minder mate, het geval zal zijn na gedeeltelijke droogmaking binnen de ontworpen afsluiting, volgens het schetsontwerp, dat in deze nota is medegedeeld. 4°. Dat dus tegen de bovenbedoelde afsluiting en gedeeltelijke droogmaking der Zuiderzee met insluiting van den IJsel, voor zoover de waterloozing betreft (2) geen bezwaar bestaat. Thans tot het reeds genoemde laatste verslag van den Secretaris der. Z.Z.-Y. terugkeerende, ontleenen wij daaraan nog de volgende bijzonderheden: Zoowel in 1888 als in 1889 stelde de Minister van Marine een loods-schokker van het rijk ter beschikking van de vereeniging tot het doen van verkenningstochten, en van het Departement van Waterstaat werden eenige instrumenten en gegevens ten gebruike verkregen. De rijksadviseur voor visscherijzaken, de heer dr. P. P. C. Hoek, werd beleefd door het bestuur uitgenoodigd de vereeniging zijn zienswijze te willen mededeelen over den invloed, dien de afsluiting op de visscherij der Zuiderzee zal uitoefenen; deze geleerde heeft zijne medewerking welwillend toegezegd. Terwijl dit verslag werd afgedrukt is het terreinonderzoek in volle werking. Daartoe is een stoomboot gehuurd, zijn overeenkomsten tot het doen van boringen gesloten; een en ander natuurlijk onder toezicht en controle der ingenieurs, terwijl de directeur van het Proefstation te Wageningen, prof. dr. Ad. Mayer, zich (1) Het ligt voor de hand, dat wanneer dit ontwerp uitgevoerd mocht worden, zonder dat het sub I°. genoemde voorafgegaan was, de afsluitlijn van de westpunt van Terschelling direct op de Friesche kust gericht zou kunnen worden. (2) Wij cursiveeren. Red.

154