is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1889, no 12, 1889

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENE BELANGRIJKE ONTDEKKING OP HET GEBIED DER PLANTENVOEDING.

(Opneming van stikstof uit de lucht door de planten.) Hoe en waarvan de planten leven is, dank zij de talrijke en bewonderenswaardige onderzoekingen van de laatste halve eeuw, waaronder inde eerste plaats die van Liebig, tegenwoordig vrij goed en ook vrij algemeen bekend; ten minste wat de hoofdzaken betreft. Men weet, dat de planten —in dit opzicht goedkooper dan mensch of dier voor een gedeelte haar voedsel rechtstreeks uit de lucht, en wel uit het daarin aanwezige koolzuur, ontleenen en dat b. v. de steenkolen, deze overblijfselen van planten uit de voorwereld, voornaamlijk bestaan uit koolstof, uit het koolzuur der lucht door de planten gevormd. Het weinigje asch, dat bij het verbranden van plantendeelen overblijft en verder het water, waaruit de plant voor negen-tienden gedeelte bestaat is daarentegen uit den bodem, waarop zij groeide, opgenomen. Nu is het wel opmerkelijk, dat van het koolzuur slechts een zeer geringe hoeveelheid (in 10000 deelen lucht ongeveer 6 deelen koolzuur) inden dampkring aanwezig is; om het meester te worden is de plant dan ook voorzien van tallooze mikroskopisch kleine openingen op hare nog groene deelen. Daarentegen is een ander gas, de stikstof, waaruit de lucht voor 4/s bestaat, voor de plant geheel nutteloos met enkele uitzonderingen, zooals wij nader zien zullen —, hoewel de stikstof, met andere gassen tot ammoniak en salpeterzuur verbonden, een voornaam plantenvoedsel uitmaakt en door den landbouwer in stalmest en hulpmeststoffeu ongeveer twee- en driemaal zoo duur betaald moet worden dan de beide andere hoofdbestanddeelen inden mest, het phosphorzuur en de kali. Het ammoniak en het salpeterzuur zijn ook onmisbaar voor de vorming der eiwitstoffen inde planten, waaraan o. a. erwten en boonen hunne groote voedzaamheid danken, en die op haar beurt de hoofdbestanddeelen vormen van het bloed en het vleesch in het lichaam van mensch en dier. Bovenstaande bijzonderheden, hoewel vrij algemeen bekend, moesten toch even vluchtig worden aangestipt tot goed begrip van de belangrijkheid, ook voor de praktijk, vaneen inde laatste jaren gedane ontdekking op het gebied der plantenvoeding. Prof. Hellriegel vond nl. na talrijke en uitgebreide proefnemingen, dat sommige planten, tot de zoogenoemde Leguminosen (Erwten, Boonen , Wikken, enz.) behoorende, het vermogen bezitten, onder bepaalde omstandig – heden, van de vrije stikstof der lucht voor hare voeding gebruik te maken en in eiwitachtige stoffen om te zetten. Zij behoeven daartoe echter de hulp vaneen soort der tegenwoordig veel genoemde bacteriën. Ontbreken de laatste, dan gebeurt het niet. De reeks der feiten, welke het hier bedoelde verschijnsel bevestigen, is onlangs door Hellriegel en Wilfahrth (Botan. Z. 7 138-143) weder vermeerderd. De door beide natuuronderzoekers genomen proeven toonden daarbij duidelijk aan, dat bij deze werkzaamheid der leguminosen een medewerking van andere organismen (bacteriën) 12*

179