is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1891, no 11, 1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEHALTE VAN KRACHTVOEDERMIDDELEN,

Lijnkoek. Yan Eiwit werd in 308 of 56.6 pCt. der monsters van 32 —36 pCt. eiwit gevonden; in 205 of 37.7 pCt. der monsters van 28—32 pCt.; in 31 of 5.7 pCt. der monsters van 25—28 pCt. In dus ruim de helft werd meer dan 32 pCt. eiwit gevonden. Yan Vet: in 199 of 36.5 pCt. der monsters 12—18 pCt.; in 253 of 46.5 pCt. der monsters 10—12 pOt.; in 78 of 14.4 pCt. der monsters B—lo pCt. en in II of 2.6 pCt. der monsters 6—B pCt. Ongeveer inde helft der onderzochte monsters was dus 10 of meer dan 10 pCt. vet aanwezig. Raapkoek. Eiwit: In 20 of 35.7 pCt. der onderzochte monsters werd 34—36 pCt. en in 23 of 41.1 pCt. der monsters 28—32 pCt. eiwitaehtige stoffen gevonden. Van Vet in 15 of 16.7 pCt. der monsters1114 pCt. en in 41 of 73.3 pCt. der monsters B—ll pCt. Aardnotenkoek. In 20 of 43.5 pCt. der monsters werd 48—50 pCt. en in 26 of 56.5 pCt. der monsters 44—48 pCt. Eiwit gevonden. Het Vetgehalte bedroeg in 8 of 17.4 pCt. der monsters 9—14 pCt.; in 15 of 32.6 pCt. der monsters B—9 pCt. en in 23 of 50 pCt. der monsters 6—B pCt. Yan de overige inde tabel opgenoemde krachtvoedermiddelen was het aantal onderzochte monsters te klein, dan dat eene nadere berekening van het percentgehalte het overzicht duidelijker zou maken. Het spreekt wel van zelf, dat, wanneer bij het samenstellen van een voederrantsoen, vooral bij vergelijkende voederingsproeven, groote nauwkeurigheid een vereischte is, men niet volstaan kan met gebruik te maken van de cijfers der gemiddelde samenstelling van voedermiddelen, zooals zij boven en inde tabellen van Wolff, van Kühn en van anderen zijn opgegeven. In veel gevallen zijn zij voldoende en soms kan men ook, door eene schatting der kwaliteit, voor een bepaald voedermiddel, b.v. voor het gehalte van hooi, stroo, mangel wortels, groenvoeder enz., cijfers aannemen, die, hooger of lager aangenomen dan de als gemiddeld opgegeven gehalten, nog tamelijk juist kunnen zijn. Wil men echter zoo nauwkeurig mogelijk te werk gaan, dan dient men de voedermiddelen zelf, waarover men heeft te beschikken en die voor het voederrantsoen moeten dienen, laten onderzoeken. Yooral met de krachtvoedermiddelen is dit het geval; de boven opgegeven maximale en minimale cijfers geven reeds een duidelijke voorstelling van de aanzienlijke verschillen, die inde hoeveelheden van ieder der hoofdbestanddeelen kunnen voorkomen en onmogelijk, zelfs bij benadering, eenvoudig door schatting kunnen bepaald worden. Yerder is het voor sommige onzer lezers zeker niet overbodig er op te wijzen, dat bij de bedoelde voederingsproeven, of wanneer men op rationeele wijze een voederrantsoen per dag en per 100 kgr. levendgewicht, b.v. voor eene melkkoe, volgens het gehalte der voedermiddelen wenscht samen te stellen, niet het totaal gehalte aan de drie hoofdbestanddeelen, Eiwit, Vet en Zetmeelachtige stoffen, maar het verteerbare gedeelte daarvan in rekening wordt gebracht. Men vermenigvuldigt daartoe het cijfer van het totaal gehalte van elk bestanddeel met een zoogen. „verteerbaarheidscoëfficient”, zooals deze bij de hoogst nauwkeurige, wetenschappelijke

165