is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1891, no 12, 1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PLANNEN TOT BEPOLDERING DER ZUIDERZEE.

in te roepen en een antwoord te eischen op de vraag: Wat wil de natie dat met de vruchten van het werk der Zz.-Y. zal worden gedaan?” Nadat is aangetoond dat niet alles van den Minister of van de Regeering alleen moet verwacht worden, al kan een werk van zulk een omvang en waarbij zoo velerlei veelzijdige belangen betrokken zijn niet aan particuliere krachten overgelaten worden, eindigt de Verslaggever als volgt: *Laat het Nederl. volk, nadat de geheele arbeid der Zz.-V. onder zijne oogen is gebracht, zich in deze krachtig uitspreken, laat het zeggen, we willen loonenden arbeid voor onze handen op den vruchtbaren bodem thans ouder water bedolven; we willen dien bodem, nationaal eigendom, op zoodanige voorwaarden verkrijgbaar stellen, dat zijn bezit voor allen, die werken willen, beschikbaar is. Voldoende brood en woning aldus in eigen vaderland, dat alles is te verwezenlijken, wanneer die ontzachlijke waterplas in land wordt omgeschapen. De Regeering, daardoor niet in het onzekere gelaten over het lot dat desbetreffende voorstellen bij de volksvertegenwoordiging te wachten hebben, zal men houde zich hiervan overtuigd weten wat haar te doen staat. De Minister van Finantien zal niet aarzelen gelden ter beschikking te stellen, die later blijken zullen de welvaart en de kracht des volks vermeerderd te hebben en dubbele renten af te werpen voor ’s Lands schatkist; de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zal zeker de beste wijze weten te kiezen om met bekrachtiging van aller belang aan den kennelijken volkswensch te voldoen. Overtuigd van dien wensch en door het vertrouwen der natie gedragen, zullen onze bewindslieden hunne gewichtige taak ook in deze naar eisch vervullen en hare wenscheu verwezenlijken, tot heil van Kroon en Vaderland beide.” DE NEDERLANDSCHE PROEFSTATIONS. {Uittreksel van eene door Dr. A. F. Holleman gehouden voordracht), De oprichting van nieuwe landbouwproefstations was noodzakelijk geworden, doordien het aantal onderzoekingen, aan het proefstation te Wageningen opgedragen, langzamerhand te groot werd. De Regeering gaf de voorkeur aan het stichten van nieuwe stations boven uitbreiding van het reeds bestaande, omdat daardoor de aanraking der landbouwers met deze inrichtingen menigvuldige!' zoude zijn, en er ook meer gelegenheid tot persoonlijke bespreking van verschillende onderwerpen tusschen hen en de directeurs zou kunnen plaats hebben. Door de ondervinding in het buitenland opgedaan is gebleken dat enkel door den Staat opgerichte stations, met eenheid zoowel in tarieven als in methoden van onderzoek, geheel aan de te stellen eischen voldoen. (Tot ons leedwezen liet de plaatsruimte in dit Maandblad niet meer toe, het geheele stuk, ons door den heer Dr. H. op ons verzoek welwillend toegezonden, (’t was ook reeds voor n°. 11 gezet), over te nemen. Wij vertrouwen, dat de geachte Schrijver nog wel enkele exemplaren ter verspreiding op aanvraag beschikbaar zal willen stellen. Red.)

187