is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 1, 1932-1933, no 1, 25-08-1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Landbouworganisaties. De bestuurders der landbouworganisaties hebben evenmin ais die der politieke partijen onze komst met groote vreugde begroet. Het geleek er op, dat de politieke partijen en de landbouworganisaties elkaar den bai toekaatsten, door onze leden telkens weer voor te houden, dat men toch vooral inde bestaande organisaties moest blijven. Dit laatste nu wenschen wij ook. Maar wij meenen, dat in het bewerken der publieke opinie en de politieke partijen alsmede in het politiek weerbaar maken van het platteland zelve een taak ligt, welke niet door de bestaande landbouworganisaties kan worden vervuld. Thans nu onze Boerenbonden er eenmaal zijn, hopen wij, dat de landbouworganisaties ons niet zullen tegenwerken, doch integendeel ons zullen steunen, moreel en wellicht financieel, in de taak zooals wij ons die hebben gedacht. Pijnlijk trof het ons, dat door sommige leiders de indruk werd gewekt, alsof wij üe eenheid inde bestaande landbouworganisaties zouden willen bedreigen en zulks ondanks onze uitdrukkelijke verzekering dat Wij dit niet willen. Een onderling goede verhouding dient allereerst op wederzijdsch vertrouwen te berusten en wanneer wij als fatsoenlijke menschen de verzekering geven, dat wij niets liever willen, dan met wederzijdsche waardeering naast elkaar en waar het kan mét elkaar te arbeiden tot heil van ons platteland, daar vragen wij, dat deze verklaring worde geaccepteerd zonder voorbehoud! Dat de bestaande „eenheid” nog wel iets te wenschen overlaat getuige de jongste openingsrede van den voorzitter der Zeeuwsche Landbouw Maatschappij willen wij thans daarlaten. Maar we willen er den nadruk op leggen, dat het telkens weer naar voren brengen van twijfel aan onze bedoelingen en bet bestaansrecht van onze organisatie welke wij als n o o d-Z a k e I ij k gevoelen zeer weinig geschikt is om de gewenschte eenheid te bevorderen, In vele landbouwafdeelingeh ©n Coöperaties hebben de leden van de Boerenbonden de groote meerderheid. Welnu, wij meenen, dat dit feit nimmer is misbruikt, om de bestaand© eenheid te schaden. En dit wilen wij ook in d© toekomst niet. Doch, wat wij niet zullen tolereeren is, dat bestuurders dezer organisaties en organen, welke tevens onze organisaties en organen Zijn, zouden worden misbruikt om ©en stemming tegen ons te wekken. Natuurlijk gebeurt er bij de oprichting van een nieuwe organisatie wel eens iets hetzij vóór of tegen hetwelk achterna gezien beter nagelaten of stil gezwegen had kunnen worden. Maar, dat ligt thans achter ons en we willen daar thans niet verder bij stilstaan. Voor de toekomst hopen en vertrouwen wij, dat het zeer goed mogelijk zal blijken, dat .Onze Bonden op hun terrein werken naast de bestaande organisaties en dat wij elkaar over en weer zullen kunnen steunen opdat krachtige boerenbonden in verschillende provincies een vruchtbaar werk zullen kunnen verrichten bij hun strijd voor de politieke weerbaarmaking van ons platteland, voor het bewerken van publieke opinie en politieke partijen en voor het aangeven van de richting, waarin ons Staatsbestuur zich zal moeten ontwikkelen tot versterking van het platteland in het algemeen en den landbouwenden stand in het bizonder, als zijnde bet fundament van onze Samenleving. Daarnaast hopen we op de basis van vertrouwen en waardeering wederzijds als goede leden van de landbouworganisaties mede te kunnen werken aan uitbreiding en versterking hiervan. En we willen besluiten met den wensch dat deze basis, welke wij alleen niet kunnen leggen, in alle provincies spoedig hecht en soliede aanwezig zal blijken te Zijn. BESTUREN EN REDACTIE. ONS DEGINSEL-PROGRAM. / De Boerenbonden willen in eersten aanleg Jiiet zelf als politieke partij optreden, doch personen van verschillende politieke richting samenbrengen ten einde gemeenschappelijk te strijden tegen een fout, die alle politieke partijen gemeen hebben, n.l. dat zij zich eenzijdig laten leiden door stedelijke en industrieel© inzichten en belangen. Alleen ten aanzien van die politieke partijen, welke het program der boerenbonden niet willen ondersteunen, zullen afzonderlijke candidaten worden gesteld. , Het gaat daarbij vooral om de volgende hoofdbeginselen: 1 10. De landbouwende bevolking heeft recht Op een belooning van zijn arbeid, die ineen Zedelijke verhouding staat tot de belooning .van andere soorten van arbeid. Deze verhouding is verbroken door de onvereenigbaarheid fan de Vr ij handelsgedachte en onze aclale opvattingen. Ten einde den mdbouw recht te doen wedervaren, zal men |sf moeten breken met den vrijhandel, die de prijzen der landbouwproducten wil doen bepalen door de vrije concurrentie, 5f met onze (sociale opvattingen, die tot gevolg hebben het fetabiliseeren van de loonen en tal van op die Iconen gebaseerde prijzen van stedelijke en industrieele producten en diensten. Men moet 'öf terug tot de vrije concurrentie bij de loonen prijsbepaling op elk gebied èf men zal de lijn door moeten trekken, die door het sociale Streven loopt en ook de prijzen der landbouwproducten onttrekken aan de vrije concurrentie. f 20. Het is onmogelijk, plotseling geheel te breken met onze sociale opvattingen en de loonen zich volledig te doen aanpassen aan de thans abnormaal lage prijzen der landbouwproducten. Het prijsniveau is thans ontredderd dooreen abnormale daling, evenals inde oorlogsjaren dooreen abnormale stijging. Daar Öie daling waarschijnlijk tijdelijk is, evenals in do oorlogsjaren de stijging, zal de meest doelmatige crisispolitiek deze zijn, dat men, evenals Inde oorlogsjaren, tijdelijk den vrijen handel uitschakelt en de prijzen der landbouwproducten ta overeenstemming brengt met den

heerschenden lobnstandaard. Het bezwaar, dat zoodoend© de kasten van het leven zullen stijgen en de loondaling daardoor tegengegaan wordt, heeft geen zin, zoolang de landarbeid lager beloond wordt dan andere soorten van arbeid en de prijzen van den grond te laag zijn, om grondverbeteringen ©enigermate te doen rendeeren. 30. Indien na afloop van de crisis men tot den vrijen handel wil terugkeeren, zal dit alleen toelaatbaar zijn, indien men op het geheele terrein der loon- en prijsvorming tot de absolute vrije concurrentie terugkeert, zooals ook in het laatst der 18de eeuw het geval was. 40. Er dient te worden gestreefd naar een zoo intensief en rationeel mogelijke exploitatie van den bodem, opdat ons volk voor een zoo groot mogelijk deel op eigen bodem zijn bestaan kan vinden. Dit klemt vooral, nu de buitenlandsche hulpbronnen van ons volksbestaan exportindustrie, scheepvaart, Indische ondernemingen ons inden steek laten. In verband hiermede moet onze Landbouwcrisispolitiek geacht worden op een geheel verkeerden weg te zijn. Zij tracht alleen den allerhoogsten nood te lenigen en laat zoodoende toe, dat onze bodemeultuur zich beweegt in sterk extensieve richting, met het gevolg, dat noodeloos duizenden gezinnen van landbouwers, landarbeiders, neringdoenden, enz. met verlies van hun bestaan worden bedreigd. Men moet daarom komen tot een zoodanige verhooging van de prijzen van alle landbouwproducten, die hier op hun plaats zijn, dat de intensieve exploitatie van den bodem rendeert. 50. Er dient thans reeds rekening mede te worden gehouden, dat onze landbouw tengevolge van het in alle landen waar te nemen streven naar zelfvoorziening, zich waarschijnlijk inde richting der productie voor de behoefte van eigen volk zal moeten bewegen. Hieruit volgt, dat de akkerbouw dient te worden uitgebreid en de veehouderij en de tuinbouw dienen te worden ingekrompen. De crisismaatregelen op het gebied van de prijsbepaling kunnen er op gericht zijn, dit proces zonder groote schokken te doen plaats hebben. Deze productie voor eigen behoefte vergemakkelijkt het stabiliseeren der prijzen. 60. Op sociaal gebied moet worden uitgegaan van het diep inde ziel der plattelandsbevolking levende besef der individueel© bestaansverantwoordelijkheid. leder dient zooveel mogelijk door arbeid, zuinigheid en overleg zijn éigen welvaart te bevorderen. De voornaamste taak der overheid op sociaal gebied is, te zorgen, dat ieder de vruchten plukt van zijn eigen streven. Inde eerste plaats dient er daarom voor te worden gezorgd, dat de Regeeringsmaatregelen niet de strekking hebben, den een van het eerlijk verworvene te berooven om het anderen, zonder dat zij zich moeite hebben gegeven, ten goede te doen komen. In dit opzicht wordt door onze sociale politiek in hooge mate gezondigd. En inde tweede plaats behoort de overheid in te grijpen, wanneer zich toestanden ontwikkelen, die dezelfde strekking hebben als waarop hierboven is gewezen, n.I. dat zij den een onverdiend verrijken door den ander buiten zijn schuld te verarmen. Speciaal valt in dit opzicht te wijzen op groote schommelingen van het prijsniveau, welker gevolgen voor de landbouwende bevolking zoo noodlottig zijn, dat een overheid, die hare sociale taak begrijpt, deze schommelingen zich niet ongehinderd mag Laten voltrekken, inzonderheid niet, waar deze overheid door den werkloozensteun het loonpeil belet, zich aan de veranderde waarde van het geld aan te passen. 70. Wil de overheid inde inkomstenverdeeling ingrijpen, dan moet dit in het algemeen niet plaats hebben door maatregelen, welke ioopen over het bedrijf, maar welke loopen over de publieke kas. Langs dezen weg betalen de meer gegoeden, ieder naar zijn draagkracht, wat men aan de minder bedeelden ten deel laat vallen. Onze sociale politiek berust op het zeer onjuiste en onrechtvaardige beginsel, dat zij zich tot de ondernemers richt. Een zeer groot deel van de industrieels en stedelijke ondernemers wentelen de kosten van de sociale maatregelen af op den landbouw, die zoodoende een abnormaal groot deel van den totalen last te dragen krijgt. Wil men dit voorkomen en toch het eenmaal aanvaarde stelsel behouden, dan zal men den landbouw in staat moeten stellen, evenals andere bedrijven, de prijzen zijner producten te regelen naar de productiekosten, speciaal naar de kosten van den arbeid. In elk geval tol ten spoedigste een eind dienen te worden gemaakt aan den, toestand, dat landbouwers en andere zelfstandigen, die steeds premie voor anderen hebben moeten betalen, op hun ouden dag op het armbestuur zijn aangewezen. Dit vraagstuk is door de crisis bijzonder nijpend geworden. 80. Toepassing van bovengenoemde hoofdbeginselen zal de mogelijkheid scheppen tot; a. een belooning van den landbouwarbeid, zoowel van den arbeider als van den ondernemer, die ineen redelijke verhouding staat tot de belooning van stedelijken en industrieelen arbeid; b. een zoodanige stabiliteit dn de prijzen der landbouwproducten, dat ook aan hypotheekboeren en pachters, naast een behoorlijke belooning van hun arbeid, een redelijke bestaanszekerheid gewaarborgd wordt, waardoor met name ook de misstanden, welke het pachtwezen aankleven, tot kleinere proportien zullen kunnen worden teruggebracht, zoo al niet geheel weggenomen; c. grondprijzen, die hoog genoeg zijn, om den ondergang van onzen eigengeërfden boerenstand te voorkomen en de intensieve exploitatie van den bodem te waarborgen; d. een behoorlijk bestaan voor ambachtslieden, neringdoenden, kortom voor alle bevolkingsgroepen, die zoowel inde steden als op het platteland indirect geheel of gedeeltelijk van den landbouw leven. Voorts gaat, naast de genoemde hoofdbeginselen, het streven van de boerenbonden in het belang der geheel© plattelandsbevolking uit naar de toepassing van de volgende nevenbeginselen : 1. De gelegenheid voor ontwikkeling moet zooveel mogelijk voor platteland en stad gelijk zijn. 2. Ten aanzien van het genot van openbare diensten, posterijen, telegraaf, telefoon, enz., dient het platteland zoo weinig mogelijk bij de stad te zijn achtergesteld.

3. De positie van de ambtenaren behoort zoodanig te zijn geregeld, dat het trekken van de best© krachten naar de steden wordt voorkomen. 4. Gemeentelijke-, provinciale- en rijksbelastingen dienen zoodanig te zijn geregeld, dat bij gelijke draagkracht over het geheels land een ongeveer gelijk bedrag tot de algemeen© lasten wordt bijgedragen. 5. Inde volksvertegenwoordiging behoort het platteland op evenredige wijze vertegenwoordigd te zijn door personen, welke voldoende op de hoogte zijn van de speciale belangen van het platteland en door hunne woonplaats in geregeld contact staan met de bevolking van het platteland, terwijl speciaal de landbouw aanspraak heeft op een met zijn beteekenis in overeenstemming zijnde outillage inde departementen van algemeen bestuur. WERKPROGRAM. 1. De prijzen van al1!© landbouwproducten dienen, zoo noodig met ter zijd© stelling van het beginsel van den internationalen vrijhandel onverwijld te worden gebracht en gehouden op een peil, dat bij het stedelijk ©n industrieel loonpeil past. 2. Het sub. 1 genoemde is speciaal noodig, om het mogelijk te maken: a. dat de landbouwarbeid (van eigengeërfde boeren, pachters en landarbeiders) kan worden beloond op een wijze, die in ©en redelijke verhouding staat tot de belooning van anderen arbeid; b. dat de grond intensief wordt geëxploiteerd en de thans werklooze arbeiders werk kunnen vinden in het vrije bedrijf; c. dat de landprijzen weer komen en worden gestabiliseerd op ©en niveau, hoog genoeg om dein standhouding van de vruchtbaarheid van den grond ©n het aambrengen van grondverbeteringen rendabel te maken, alsmede om onze eigengeërfde boeren, speciaal voor zoover zij belangrijke hypotheken te hunnen laste hebben, voor ondergang te bewaren; d. dat de ondergang van ©en groot deel der neringdoende bevolking in dorpen en van het platteland bestaande steden wordt voorkomen. 3. Misstanden op het gebied van het pachtwezen, die door vorenstaande maatregelen nog niet zijn weggenomen, dienen te worden bestreden voor zoover de te nemen maatregelen niet leiden tot: a. het verdwijnen van het pachtwezen; b. het in moeilijkheid brengen van kleine grondbezitters en eigengeërfde boeren, speciaal hen, die hun bezit met hypotheek hebben bezwaard. 4. De kosten van onze, ten laste der bedrijven komende sociale maatregelen, worden grootendeels afgewenteld op den boerenstand. Daarom dient met dit systeem te worden gebroken en dienen de kosten te worden gebracht ten laste van de publieke kas, totdat men de prijzen der landbouwproducten brengt op een niveau, dat de landbouwers in staat stelt, evenals andere ondernemers, de uit de sociale lasten voortvloeiende kosten af te wentelen op de verbruikers. 5. Inzonderheid met het oog op de crisis dienen ten spoedigste maatregelen te worden genomen inzake de véïfbrging van tot armoede vervallen oud© landbouwers en andere zelfstandigen. 6. Gewaakt dient te worden tegen achterstelling van het platteland bij de stad oip het punt van onderwijs, publieke diensten en belastingdruk. DE NOOD IN DE VEENKOLONIËN. Dezer dagen kreeg ik inzage vaneen contract, gesloten tussohen ©en kleinen Veenkolonialen landbouwer en een aardappelmeelfabrikant, welk contract hierop neerkwam, dat de landbouwer een voorschot kreeg voor te leveren aardappelen tegen het in pand geven van zijn geheel© boerderij-inventaris (paard, rundvee, enz.) Men begrijpt, dat deze man volkomen geruïneerd is, als hij voor zijn aardappelen niet een redelijken prijs krijgt. Dit contract, dat er een is uit vele, (bij kunstmest wordt o,a. dezelfde handelwijze toegepast tegen een rente vain 8 a 9 pet. met het oog op het hooge risico), geeft mij aanleiding aan onze Regeering, onze Volksvertegenwoordiging en onze provinciale ©n gemeentelijke autoriteiten, de vraag te stellen, of men wel begrijpt, om welke heilige beginselen het bij het drama, dat zich inde Veenkoloniën en ook in andere landbouwstreken • afspeelt, gaat. Behalve om sociale rechtvaardigheid en naastenliefde, gaat het hier om ©en beginsel, dat ten grondslag moet liggen aan elke doelmatige sodale politiek, die niet wil aansturen op het communisme. Het is het beginsel der persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid. leder behoort voor zich zelf door vlijt, spaarzaamheid en doelmatige levenshouding zijn toestand te verbeteren. De voornaamste sociale taak der overheid moet m.i. zijn, de belemmeringen die dit streven ondervindt, zooveel mogelijk uit den weg te ruimen. Dit beginsel nu leeft bij geen groep sterker dan bij onzen kleinen boerenstand. Vooral inde veen- en zandstreken hadden velen, dikwijls uit den arbeidersstand op gekomen, toet tot een matige welvaart gebracht. Ineen paar jaren is deze zoo moeilijk verkregen welvaart totaal te niet gegaan. En waardoor? Niet inde eerste plaats door onvermijdelijke oorzaken, maar dooreen verkeerde politiek, waartegen ik reeds sedert 1918 voortdurend heb gewaarschuwd. Men schudt onzen kleinen boerenstand volkomen uit, om daardoor voor anderen een levenswijze mogelijk te maken, waaraan ook in betere tijden de kleine boeren nimmer hebben durven denken. Het is mij een raadsel, hoe het mogelijk is,

dat men in leidende kringen niet begrijpt, hier op een verkeerd pad te zijn en dat de overheid bier een sociale taak heeft te vervullen, die boven elke andere behoort te gaan. Het is echter of men met alle geweld den weg vrij wil maken voor het communisme. Inde eerst© plaats door deze nijvere menschen tot een afschrikwekkend voorbeeld te stellen voor allen, die er in ’t vervolg naar mochten willen streven, door eigen kracht vooruit te komen. En inde tweede plaats door het aankweeken vaneen geestesgesteldheid die hierop neerkomt. Als anderen met medewerking vani de overheid mij van het eerlijk verworvene berooven en mij naar den kelder helpen, zal ik het de geheel© maatschappij helpen doen. Ik ben door mijn aard en mijn leeftijd een vijand van groote woorden en van agitatie. Zonder agitatie krijgt men tegenwoordig helaas echter geen gehoor. Met het oog daarop voel ik mij volkomen gerechtigd, de boerenbonden te adviseeren, met spoed tot een zoo krachtige actie te komen, dat de Regeering gedwongen wordt, of zij wil of niet, meer aandacht aan de Veenkoloniën te schenken en zeer spoedig met een redelijke oplossing te komen. Niet alleen voor 1932, maar ook voor de toekomst. Het agiteeren heeft men inde Veenkoloniën m.i. al te zeer verzuimd. Het gaat hier niet alleen om de rechtmatige belangen der boeren, maar ook om groote algemeen© belangen. Ons land is niet rijk genoeg, om zijn bodem te kunnen laten liggen en de boeren en arbeiders als werkloozen te onderhouden met uit het buitenland aangevoerde levensmiddelen. Het gaat hier niet alleen om het aardappelmeel. Het gaat ook om andere producten, inzonderheid de rogge. Uitvoering van het program der boerenbonden zou een voor alle producten geldend© definitieve oplossing brengen. In afwachting daarvan dient binnen enkele weken te worden ingegrepen ten aanzien van het aardappelmeel en de rogge-Wat de rogge betreft, ook met bet oog op de zandstreken. ' Ik wil, voor ik eindig, nog een gezichtspunt openen, dat m.i. overweging verdient. Het lijkt mij een eisöh des tijds, dat onze productie wordt aangepast aan onze binnenlandsche behoefte. Maar ook, dat waar die aanpassing moeilijk is, onze binnenlandsche consumptie zich moet aanpassen aan onze nationale productie. Men moet eten wat de pot opschept, d.w.z., wat het land voortbrengt. In deze lijn ligt geheel het gebruik van aardappelmeel en rogge voor die hroodbereiding. En dan is het volkomen rationeel, dat de consumenten, evenals bij de tarwe het geval is, prijzen betalen, die bij de productiekosten passen. Wil men per sé, dat ons volk brood van louter tarwe eet, welnu, men geve den verbouwers van fabrieksaardappelen en rogge dan het recht, in plaats van aardappelmeel en rogge,' een daarmede overeenkomende hoeveelheid buitenlandsche tarwe aan de Regeering te leveren tegen den prijs, die voor de levering van binnenlandsche tarwe is vastgesteld. De daarop gemaakte winst zou dan het verlies dekken, dat wordt geleden op de productie van aardappelmeel en rogge. Men zou zoodoende, om van de tarwewet te profiteeren, niet behoeven over te gaan tot het verbouwen van tarwe, waar de teelt van andere gewassen, speciaal rogge, meer op hare plaats is. Natuurlijk zal men met het argument komen, dat daardoor het brood duurder wordt. Dit is niet noodig, mits de loonen en winsten van allen, die graan verwerken tot brood, maar dalen. Ons land is van alle West-Europeesohe landen het land met de laagste prijzen der levensmiddelen en de hoogste loonen. Deze toestand is alleen houdbaar, als men zich op het standpunt blijft stellen, dat de landbouwers de staven moeten zijn der overige bevolkingsgroepen en de landbouwers zich daarvoor gedwee beschikbaar stellen. Het streven der boerenbonden is hierop gericht, hst verzet tegen deze slavernij te organiseeren en te leiden. Sm. DE CRISISPOLITIEK DER BOERENBONDEN. Afgaande op hetgeen de grootstedelijke en de arbeiderspers dagelijks aan hare lezers voorzetten inzake den steun aan den landbouw, zou men denken, dat door dien steun de Landbouwers wel ongeveer uit den nood zouden zijn. Verbazen behoeft ons dit niet. Deze pers begrijpt den nood van den landbouw niet en wil dien ook niet begrijpen, omdat hare lezers tijdelijk profiteeren vaneen toestand, waarbij de landbouwers voor niets moeten werken. Wat ons echter in hooge mate verbaast, is, dat voor en na ook nog uit de landbouworganisaties stemmen oprijzen, die van. een zekere tevredenheid blijk geven met de resultaten, die de actie der organisaties heeft bereikt. Naar onze meening is, wat tot dusver is geschied, grootendeels systeemloos gepruts, dat het bedrijf ontreddert en- met belet, dat onze 1 landbouwers voortdurend meerden ondergang ■ tegemoet gaan. Wat den akkerbouw betreft, worden slechts vier gewassen, (tarwe, fabrieksaardappelen, suikerbieten en vlas) gesteund en nog niet eens op voldoende wijze. In 1921—’30 besloegen deze i gewassen in totaal een oppervlakte van ruim ■ 169000 H.A. Door de uitbreiding van de tarweteelt steeg deze oppervlakte in 1932 tot 188000 | H.A. Verder dan tot 200Ö00 H.A. zal die uit! ‘breiding echter wel niet kunnen gaan. Er is echter in ons land pl.m. 900000 H.A. bouwland. , Dus wordt nog niet van het vierde deel daar-

r van de cultuur ©enigszins rendabel gemaakt. Men heeft voorts zeer ingewikkelde organisaties geschapen, om de melkproductie en de varkenshouderij te steunen, Men stelt zich ’ daarbij voor, de melk en de varkens op . een ) prijs te brengen, waardoor de productie bij de > huidige veevoederprijzen rendeert. Of men dit t zal bereiken, moet nog worden algewacht. Maar ook ais men dit bereikt, is nog weinig gewonnen. Men kan toch tegen de huidige prijzen bet veevoeder niet verbouwen. Waar • het op aankomt is, dat onze bodem zoo inten. sief mogelijk wordt geëxploiteerd, om aan zoo, veel mogelijk menseden een bestaan te geven. Wat wij thans doen, zal er toe leiden, dat 11 ons bouwland ik denk hier wel inde eerste ‘ plaats aan het roggeland moet blijven liggen l en ons grasland extensief wordt geëxploiteerd. Ons landbouwbedrijf schrompelt dan ineen tot een veehouderij, die steunt op extensievee weidebouw en het vervoederen vanuit het buitenland aangevoerd krachtvoer. Wat zal daarvan het gevolg zijn? Dat, naar ik reeds meermalen becijferde, van de 4 millioen menschen, die direct en indirect van de exploitatie van onzen bodem kunnen bestaan, 2 millioen dit bestaan verliezen en voor hun onderhoud op steun of werkverschaffing zijn aangewezen. Ik verwonder mij er alle dagen over, dat men deze eenvoudige dingen toch maar niet kan of wil inzien. Wat willen nu de boerenbonden krachtens hun beginsel- en werkprogram? Eenvoudig dit. Zij willen de binnenlandsche prijzen van alle landbouwproducten los maken van den wereldmarktprijs en brengen op een peil, dat bij de tegenwoordige productiekosten past. De producten, die wij te kort komen, koopen wij tegen wereldmarktprijzen, doch laten de consumenten een prijs betalen, die bij de binnenlandsche productiekosten past. Wat wif aan producten te veel hebben, verkoopen. wij aan het buitenland tegen wereldmarktprijs. Het verlies dat daarop wordt geleden, dekken wij uit de winst, die op het ingevoerde wordt gemaakt. Zoodoende kan de producent zoowel voor de hier te lande geconsumeerde als voor de uitgevoerde producten een Igonenden prijs ontvangen. Men kan dit systeem op twee wijzen toepassen. Men kan den geheelen in- en uitvoer van landbouwproducten maken tot een Regeeringsmonopolie. De eenvoudigste weg is echter het heffen vaneen invoerrecht van alle ingevoerde voor de voeding van mensch en dier bestemde producten en het aanwenden van de opbrengst van die invoerrechten tot steun van onzen export. De boerenbonden geven de voorkeur aan het laatstgenoemde systeem en zij zien daarom een groot gevaar voor den landbouw in het Nederlandsch-Belgische verdrag. Als bijkomende maatregelen kan men dani bevorderen, dat onze productie meer in ds richting der binnenlandsche voorziening wordt gestuurd. En verder dient te worden gedacht aan maatregelen ter aanpassing van ons ver-; bruik aan wat onze bodem van nature voortbrengt. Als het buitenland onze rogge inden vorm van varkensvleesch niet behoorlijk wil betalen, zullen wij het roggeland niet moeten laten liggen, maarde rogge inden vorm van brood zelf consumeeren. Hetzelfde is het geval met aardappelmeel. Vooral nu het met onze exportindustrie, onze scheepvaart en onze Indische ondernemingen zoo slecht gaat, zullen wij niet rijlk genoeg zijn, om onzen bodeml te kunnen verwaarloozen en ons te voeden met wat wij in het buitenland moeten koopen. Om kort te gaan, waar het onmogelijk is het loonpeil zoodanig te doen dalen, dat het in overeenstemming is met de prijzen der landbouwproducten, willen de boerenbonden laatstgenoemde prijzen in overeenstemming brengen met het loonpeil. Alleen daardoor kan de boer voor ondergang worden behoed, de arbeider van de werkverschaffing worden teruggehouden, de neringdoende een bestaan behouden en de ineenstorting vaneen belangrijk deel van ons economisch leven voorkomen. i. SMID. 1 Nagekomen Advertentiën. i Drentsche Boerenbond Md. JJEVEEH. Ledenvergadering op Vrijdag 2 Sepf>| in Café TIMMERMAN, ’s avonds 8 uur n.t. AGENDA; 1. Opening. Notulen. , 2. Bespreking Varkenscentrale, 3. Propaganda Vakblad. ; 4. Ingekomen stukken. l Trouwe opkomst gewenschti i HET BESTUUR pesturen van de af* deelingen der poeren* ’ bonden, belegt na hei – verschijnen van dit proefhummer,onmiddeU tijk vergaderingen voor l de bespreking van s abonné-werving. ' 2)e hoofdbesturen e der samen werkende ft , bonden. o s 1.