is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 1, 1932-1933, no 7, 17-11-1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooften der Staatsburgers voorzien, zich moe- z ten gaan toeleggen op het zich zoo onafhanke- d lijk mogelijk maken van het buitenland. Wij z zouden ons dan nu reeds veel beter ingesteld i: hebben op de komende tijden en zouden enor- c me verliezen, vooral inden veestapel geleden, t hebben voorkomen. -joo T-ïrckinirr orioV» onn Siniffe»n Wil-

Het zoo weinig zich aan de toestanden willen aanpassen van ons land, zal zich dubbel wreken, waar de Nederlandsche boer zelf I maar al te gaarne gelooft, dat wel spoedig „de * goede oude tijd” terug zal komen. Zoo gaat de ' zandboer onverstoorbaar voort met zijn rogge- 1 en haver- en aardappelenverbouw, niettegen- 1 staande deze hem groote Verhezen geven. Hoe- ' veel beter zou hij onder de tegenwoordige omstandigheden handelen door zijn bedrijf zooveel mogelijk in te krimpen en door bijv. alle ‘ minder geschikte of ietwat vervuilde grond te gaan braken. Op die wijze zou hij zijn i bedrijfskosten belangrijk kunnen terugbrengen i en daardoor minder verliezen. De hierdoor vrij- I komende tijd zou hij kunnen gebruiken, dood i bijv. de ontwatering van het bedrijf te verte- 1 teren, de gronden te egaliseerea en door bosch ! (Douglasspar) aan te leggen op de hoog- ; gelegen, voor Douglas geschikte terreinen. Is i hij huurtoer, dan zou hij deze hooger gelegen 1 gronden, in plaats van ze in bosch te leggen, 1 kunnen gebruiken voor de teelt van serra- 1 della en van lupinen voor zandwinning, terwijl ; op de iets betere gronden, hij zich zou kunnen gaan toeleggen op de teelt van gras ■ voor zaadwinning; tot op heden moet ons land i elk jaar voor groote bedragen graszaad in- : voeren, hetwelk in beduidend beter kwaliteit hier geteeld zou kunnen worden. Aldus zou de zandboer met minder arbeid en in allen gevalle met minder kosten arbeidend, een beter financieel resultaat kunnen maken dan nu, terwijl daarenboven de mogelijkheid bestaat, dat onze Regeering dan zon gaan inzien, dat de beste wijze om werkloosheid te platteland© te vermijden is, den boer voor zijn voor Nederland noodige producten dusdanige prijzen te geven, dat deze zijn bedrijf met groote intensiviteit exploiteert. S. A.R. DE WOLFF v. WESTERRODE. Hilversum, 22 Oct. ’32. *) Het blijft o.i. nog altijd de vraag of er ook bij den tegenwoordigen werktijd wel van overproductie sprake zou zijn, wanneer het geldwezen en de productie doelmatig geregeld waren. Red. VOLDOENDE STEUN AAN DEN LANDBOUW De eenige weg tot instandhouding van het platteland. Herhaalde malen komt men in artikel©» in de stedelijke pers de opmerking tegen, dat er wel eens gedacht mag worden over steun aan den middenstand. De middenstand, w.o. verstaan mogen worden inde eerste plaats alle neringdoenden, maar ook ambachtslieden, als timmerlieden, smeden, wagenmakers, schilders, enz., vormt een groep, die ook de ge-, volgen van de crisis ondervindt. Dezelfde menschen, die voor steun aan den middenstand pleiten, zijn veelal echter tegen steun aan den landbouw en daaruit blijkt o.i. duidelijk, dat de verhoudingen in ons econiomiscöe leven zoo weinig begrepen worden. We willen in het geheel niet ontkennen, dat de neringdoenden, meer nog de ambachtslieden ten pla telande en inde kleine steden, een slechten tijd doormaken. Maar wat is de oorzaak van deze tijdsomstandigheden? Waaraan hadden bedoelde personen hun bestaan te danken? In hoofdzaak toch zeker aam de werkzaamheden op en om de boerderij en aan den verkoop van allerlei beneodigdheden, dia de boerengezinnen moesten gebruiken? De boerderij de werkplaats van ambachtslieden. Te veel is vergeten, dat elke boerderij feitelijk de werkplaats is van verschillends ambachtslieden. Heeft de boer weinig of geen inkomen, dan is reeds stapte inde bedrijven van genoemde vaklieden daarvan het gevolg. Er wordt dan op de boerderij nog uitsluitend! aan het allernoodzakelijkste onderhoud gedacht, maar van vernieuwing of aanschaffing van nieuw gereedschap, enz., is geen sprake. De inkomsten der ambachtslieden en neringdoenden werden reeds geleidelijk kleiner. Thans is bij vele landbouwers de reserve opgeteerd, en worden schulden gemaakt bij smid,; timmerman, meelhandelaar, enz., enz. Indien eenigszins mogelijk, wordt geen nieuw gereedschap aangeschaft en het spreekt vanzelf, dat dit ook terug slaat op de stedelijke handel en industrie. Reizigers uit de steden ontdekken ook dagelijks, dat hun orders bij de klanten op het platteland kleiner worden. Waar komt dit anders van, dan dat het boerenbedrijf niet meer loonende is? Wordt er tot aanschaffing van nieuw gereedschap of wat dan ook op de boerderij overgegaan, dan gebeurt dit veelal niet tegen contante betaling en daardoor strekken de moeilijkheden zich niet alleen uit tot de zaken, van handelaren en neringdoenden op het platteland, maar ook de groothandel komt inde verdrukking. Zoo zou men door kunnen gaan, maar wie dit alles overdenkt, zal hst duidelijk zijn, dat de nood onder den boerenstand tot gevolg heeft, dat de andere takken van volksinkomen daarvan de dupe worden. Het wordt zeer d i k w ij 1 s vergeten, da t h et hek, da t d eb o er d er ij scheidt van den publieken weg, niet de zorgen en de ellende daarbinnen ontsloten houdt, maar dat die ellende zich da de! ij k uitstrekt tot breed© lagen van ons volk. De landbouw het fundament der samenleving. Als zoodanig is de landbouw van fundamenteel© be'teekenis voor onze samenleving. Dit fundament staat momenteel zeer wankel. Schulden op schulden worden door vele boeren gemaakt en de toestand is zóó donker, dat komt er niet zeer spoedig verandering vele tientallen, ja honderdtallen, misschien zelfs wel duizendtallen boeren naar den afgrond, gaan Steeds meer werkloozen zullen aan de schare van thans worden toegevoegd, want. niet alleen boeren, maar met dezen, gaan, ook vele ambachtslieden en neringdoenden ten, gronde. Hoe steun t men deze amba chtsli ed en en neringdoenden dus het best? Door het boerenbedrijf zoodanig te steunen, dat alle producten, welke ia ons land nood-

zakelijk moeten worden geacht, tegen loonende prijzen verbouwd kunnen worden. De boer zal dan een bestaan kunnen hebben en door intensieve bewerking van den grond zullen ook : de middenstanders en plattelanders weer een bestaan kunnen vinden. De positie van den landarbeider. Niet alleen dezen echter. Er is nóg een groote groep, welke daarvan zal kunnen profiteeren. Dat zijnde landarbeiders. Thans zijn. velen van hen reeds werkloos. De landbouwer moet noodgedwongen zijn bedrijf in extensieve, richting gaan bewerken. Het natuurlijk© gevolg hiervan is, dat hoe ongaarne ook —, hij zijn arbeider(s) zal moeten ontslaan. Dit gebeurde reeds een paar jaren zooveel mogelijk, thans gebeurt dit in nog veel sterkere mats. De landarbeider kon reeds in normale tijden, niet komen aan een loon als zijn collega in de stad. Zijn loonpeil bewoog zich ongeveer, tusschen de 20 en 30 cent per uur. Toch wordt hem door zijn collega’s inde stad voorgefluisterd, neen toegeschreeuwd: „Eischt honger, loon, strijdt met ons mee!” Het loonpeil van sommige stedelijke arbeiders staat op 60-80 cent. Toch willen zij niet meewerken aan het bevorderen vaneen hoogeren prijs der landbouwproducten, waardoor ook de landarbeider een beter bestaan zou kunnen hebben. Een schrille tegenstelling dus. De landarbeider helpt zijn stedeiijke collega aan hoogere loonen, terwijl de arbeider inde stad vecht tegen hoogere prijzen der eerste levensbehoeften, mede met de hulp van den landelijken collega voortgebracht. Het loon van den laatste kan op die wijze nimmer worden opgevoerd. Laat de landarbeider dit eens goed overdenken en laat hij dan ook eens bedenken, of zijn belang wel ligt op hetzelfde pad als dat van zijn stedelijke collega! Zijn toestand zal o.i. niet anders verbeterd kunnen worden dan door iooncr.de prijzen der landbouwproducten. Dan zal de bodem weer intensief kunnen worden bewerkt en komt ©r weer meer werkgelegenheid. Onze Regeering heeft het thans zoover laten komen, dat de reserve bij het meerendieel der boeren is opgeteerd, dat groote schulden worden gemaakt en dat de middenstand ten platteland© in zeer korten tijd mee ten gronde zal gaan. Een eerste voorwaarde naar herstel kunnen wij niet anders zien dan dat krasse maatregelen worden genomen en dat de prijzen van alle landbouwproducten zoo hoog worden opgevoerd, dat de boer zijn financieel© verplichtingen zal kunnen nakomen tegenover den ambachtsman en neringdoende. Het zal echter noodzakelijk blijken te zijn, dat naast deze maatregelen ook credieten aan noodlijdende landbouwers worden verleend op de wijze als de heer Mr. O. Gezelle Meerburg inde, op 22 Oct. j.l. gehouden lezing voor het K.N.L.C. heeft aangegeven. De verhooging van de prijzen van alle landbouwproducten behoort met de credietverleening aan den boerenstand, hand aan hand te gaan. Niet alleen dat dit een boei moet worden waaraan de landbouwers zich kunnen vastklampen, maar indirect zullen daar ook d© middenstanders ten platteland© en inde klein© steden, van profiteeren. Om d i t te verkrijgen is noodig, dat geheel het platteland zich aaneen sluit. Het welvaartspeil ten platteland© behoort opgevoerd te worden. Daarvoor te arbeiden is liet doel van de Boerenbonden. Landarbeiders en middenstanders, onze weg is ook uwe weg. Steunt daarom onze beweging zooveel in uw vermogen is. Éénheid ten plattelande is in dezen noodzakelijk, om het Nederlandsch© volk te kunnen overtuigen, dat steun aan den landbouw, steun, voor het gansche platteland beteekent. J. t. H. Ez. Verpachter en hypotheekhouder. In het tweede nummer van L. en M. schrijft de heer J. Smid ineen zeer lezenswaardig artikel onder ’t opschrift „Verdeel en heersch” 0.a.: „Bovendien behoort ook een belangrijk deel van den verpachten grond aan kleine bezitters, die hun inkomen evengoed noodig hebben als de pachters. Met het hypotheekkapitaal staat het niet anders.”...... En even daarvoor: „Over de moeilijkheid om de hypothecaire lasten te verminderen, denkt men m.i. te licht.” In het vierde nummer onder „Steun aan hypotheekboeren” leest men; „Hulp op drie wijzen mogelijk.” „En inde derde plaats kan men den hypotheekhouder het gelag laten betalen op dezelfde wijze als men bij de Pachtwet-Ebels met de verpachters heeft gedaan.” En verder: „Bij de hypotheken zijn deze moeilijkheden echter veel grooter.” Naar mijn bescheiden meening wordt hier in twee analoge gevallen met twee zeer verschillende maten gemeten, Den verpachter laat men het gelag betalen, al wordt hij daarbij ook radicaal uitgeschud. Het geval te Bergum spreekt in dezen zeer duidelijke taal. En hoewel alle verpachters zeker den ondergang nog niet zoo nabij zijn, stellig is een groot deel er niet zoo heel ver meer van verwijderd. Dit alles voltrekt zich volgens de Pachtwet-Ebels, welke wet er zoo „glad” doorging. En de hypotheekbeeren.... Ho maar! Haast, als bij de Pachtwet-Ebels, schijnt er niet meer te zijn. Ten minste men doet alsof Doch in dien tijd gaande thans door daling der grondprijzen te zwaar belaste hypotheekboerderijen met stilte trom in handen van de hypotheekhouders over en de oorspronkelijke eigenaars mogen nog van geiuk spreken, wanneer ze nog ais pachter kunnen blijven zitten. Ze zijn echter volkomen geruïneerd. Waarom wordt hier van de zijde der Regeering niet ingegrepen? Moeten deze menschen nu maar worden opgeofferd, omdat „de moeilijkheden veel grooter zijn”? Zegt ©en oud spreekwoord dan niet, dat de moeilijkheden er zijn om overwonnen te worden? Waarom haalt men er voor deze boeren ook geen wetje „glad” door, zooals de pachtwet is gemaakt? Waarom nu dit meten met twee maten? Is de heer Ebeis thans misschien aan ’t einde zijner krachten? Is het dan thans zoo onmogelijk om b.v. een wet te maken, waarbij verboden wordt den hypotheekboer zonder diens toestemming de hypotheek op te zeggen, tot executie over te gaan, etc.? En geheele of gedeeltelijke kwijtschelding der rente? Het voorbeeld heeft men immers reeds in do Pachtwet-Ebels! En op

wiens schouders drukt dan deze last, wanneer die van den hypotheekboer wordt afgewenteld? Mij dunkt, in het ergste geval komt het overeen met de Pachtwet-Ebels. Dit is, wanneer de hypotheek in handen is van één particulier persoon. Hij evenals de verpachter heeft óók alleen den last te dragen- lets anders is het, en heel wat gemakkelijker te dragen, wanneer een of andere bank of instelling de „gelukkige” bezitter der hypotheken is. Het gevolg zal zijn, dat deze ten minste tijdelijk niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen, wat echter de meeste verpachters thans evenmin kunnen. Nu mag dat erg zijn de Wet kan echter regelend optreden doch de lasten worden dan gedragen door aandeelhouders, pandbriefhouders, pensioentrekkers, enz. Maar, hoe het ook zij, de lasten worden gedragen niet door één persoon, maar door velen en kunnen dus niet zoo zwaar drukken. En waarom, zou ik willen vragen, mogen nu deze categorieën van de crisis niet hun bescheiden deel dragen? Ze profiteeren toch ook van de abnormaal lage prijzen! Is dan een dusdanige noodwet er ook „glad” doorgegaan, dan heeft de regeering tijd om zonder overhaasting, doch wel met de noodige haast, die maatregelen te nemen, welke noodig zijn om onze landbouw- en veeteeltproductie enz. te regelen, zoodat we zoo weinig mogelijk van het Buitenland afhankelijk worden. De grondprijzen zullen zich weer herstellen en de noodwetten kunnen weer verdwijnen. Het hypotheekkapitaal is behouden en ook de banken enz. kunnen weer aan hun oude verplichtingen voldoen. Er wordt door deze wijze van dcenl echter nog meer bereikt. Doordat de banken etc, slechts gedeeltelijk aan haar verplichtingen hebben kunnen voldoen, hebben de gedupeerden gevoeld, dat het ook hun belang is, dat het op ’t platteland goed marcheert. Onze tegenstanders zijn onze medewerkers geworden en we zullen daarbij wél varen. Wij en daardoor de geheele maatschappij! Natuurlijk geef ik deze proeve van „hoe het zou kunnen” gaarne voor beter, maar ik blijf van meening, dat het voor den ander billijk is, wat voor den een recht geworden is. Zoolang het over de verpachters ging, werd er maar op los geslagen en nu is ’t, alsof men geen vinger meer inde asch durft te steken. Meent de regeering, dat er reeds bij de Pachtwet-Ebels zwaar onrecht gedaan is, dat ze dat herstel!e. Meent ze van niet, laat ze dam op datzelfde stramien verder borduren! De tijden zijn er thans niet naar, om halverwege te blijven staan. De hypotheekboer kan ook niet meer wachten, geen dag en geen nacht! O. R. N, wïFzaaTt, zal oogsten] De herfst hebben we en daarmee is de milde zomer afgedaan. Weg zijnde warme zomerdagen! Weg de verkwikkende avonden! Weg is alle bloemenpracht, alle plantenweelde! Het koren is inde schuren getast, de aardappelen zijn gekuild en de bieten reeds meest naar de fabriek vervoerd. En het pittoreske van het landschap, onze levendig geteekende koeienschaar, is gestald, inde warme stallen. En toch if Viinter comes, can spring be far behind? (Als de winter gekomen is, kan bet voorjaar dan nog lang uitblijven?) Neen, nietwaar? Als de winter komt, is het voorjaar niet zoo ver meer af. Wij weten dat, al staan de boomen kaal, hun grillige, gewrongen takken, zonder blad, storm en regen trotseerend; al ligt het gras geel en slap verwelkt tegen den bodem, al lijkt heel de bodemdood en kil, we weten dat toch de tijd weder komt, dat die kale boomen zullen ontbotten in bruine en roode knoppen tot groene bladeren, dat datzelfde gras weer zal schieten nieuwe blauwe scheuten met pluimen en aren, dat die doode aarde zal brengen nieuwe oogst van golvende korenvelden en bonte aardappelakkers, mits * * * Mits wij willen zaaien en poten en planten. En wij willen zaaien, wij willen planten, wij willen poten. Oud als de aarde is de wet; wie zaait, zal oogsten. Lezen wij niet inden bijbel, dat een zaaier uitging om te zaaien? En van het zaad: een ander deel viel in goede aarde 1 en gaf vrucht, het één honderdvoud, het ander zestig-, en het ander dertigvoud (Mattheüs 13 1 vs. 8)? Dus oud als de natuur en oud als onze godsdienst is de wet; Wie zaait zal oogsten! Er is weer gezaaid. Wij allen hebben weer gezaaid, de eene uit de hand, breed uitwerpend ; het zaad, de andere met de machine op lijnrechte rijen. Allen hebben we ons beijverd en ■ met veel moeite in deze natte Octoberdagan getracht het zaad aan de aarde toevertrouwd te krijgen. En rotsvast is onze ervaring, is onze . kennis van de wet, dat het gezaaide brengen zal zijn oogst. Inde kille aarde, in deze dood, sehe en sombere natuur, ontwikkelt zich het zaad tot een plantje, heel nietig en broos, doch gewis zich volgroeiend tot een rijpe, weelderige , aar. Inden oogenschijnlijk dood lijkenden bodem ontwikkelt zich ieder jaar het nieuwe leven. Daarom zaaien wij zoo gerust, zoo onbezorgd voor de komende oogst. Wie zaait, ! zal oogsten! t * * ♦ Maar collega, hebt ge wel eens gedacht, toen 1 ge zoo zwaar voortschoof door het modderige ' land, hijgend onder de vracht van uw zaaibak, ; hebt ge dan wel eens gedacht over uw oogst? ’ Hebt ge er wel eens over nagedacht, hoe groot ' uw oogst zou zijn? Honderdvoud? Zestigvoud? Dertigvoud? Wij hebben allen goede aarde en misschien halen we wel twintigvoud. Een mooie | oogst nietwaar? Voor iedere mud uitgezaaid, twintig zulke volle zakken goudend-graan terug J te ontvangen. En dan van die groote hoeveelheid stroo nog niet eens gesproken. Dat is de ‘ wet: Wie zaait, zal oogsten. Een mooie wet, [ een gulden wet, een rechtvaardige wet. Wee : den luiaard onder ons, die verzuimde te zaaien. Zijn tijd is straks voorbij en nergens kan hij ■ oogsten. > * * * ‘ Maar collega.... uw oogst? Mijn oogst? Ons aller oogst? Wat moeten we er mee? Wat 1 schieten we er mee op? Hebt ge ai eens uitgerekend, wat de oude oogst u kostte? Als ge 1 tarwe gezaaid hadt, hadt ge een twintigvoud? ? Of 'een vijfvoud? Niet alle grond is geschikt voor tarwe en de natuur laat zich niet dwingen. ’ Als ge rogge hadt, hadt ge verlies, want bi iedere H.A. rogge moest ongeveer f 75 bijgepast worden. Maar ! t Wie zaait, zal verliezen. I Maar dan is een wet geen wet meer! Wie – zaait, zal oogsten, m.a.w. wie zaait, zal winnen. – Hij die zaait, heeft van de natuur de belofte i vaneen oogst. Een oogst vaneen honderdvoud, j een twintigvoud, een tienvoud desnoods, maar

een oogst van winst. En nu is een oogst een verlies. Hier wordt de wet onwaarheid. Wat een eeuwenoude waarheid was, wordt nu een leugen. Wie zaait, zal verliezen! Collega’s, wat doen we? Moeten wede zaaigordel van den schouder nemen en onze zakken maar weer opladen en huistoe rijden? Zullen we bij de pakken gaan neerzitten? Maar wat zullen dan onze vrouwen, onze kinderen zeggen? Hij, die niet zaait, zal ook niet oogsten. Komt op, laten we ons allen groepeeren en als één man strijden voor ons beginsel, voor ons program. Laten we in dubbele beteekenis gaan zaaien. Zaait uit uw zaad voor den volgenden oogst en zaait ook uit het zaad der saamhoorigheid, der solidariteit. Wesst sterk en zaait met krachtige hand uw zaad en volbreng uw stoeren plicht. Doch weest ook sterk en helder en sluit u aaneen en sta schouder aan schouder met allen, die kunnen en wi 1- le n strijden voor uw behoud, voor ons aller behoud. Een staat, wiens landbouwers zaaien en verliezen, kan ook niet oogsten. Laten wij dat onze regeering duidelijk maken. Nog is het niet te laat, nog kan alle kwaad verholpen worden, doch.... solidariteit. Ook dat is zaad, dat geoogst kan worden. Misschien geeft dit we! honderdvoudige vrucht. Nieuwbuinen, Nov. ’32. JAN H. KOLM. De zieke boom Het eerste kenteeken van den ondergang van den geheelen hof. Bet was een mooie hof met boomen van, verschillende soort. Deze boomen stelden uiteenloopende eisohen aan den grond, maar dank zij kundige hoveniers had het geheel ©en frisch aanzien en maakte het een aardigen indruk. Tot echter voor enkel jaren één der boomen dorre bladeren en takken vertoonen ging, een toestand welke allengs verergerde. Eindelijk zou men toch maar eens probeeren dezen boom een beetje van zijn oude pracht en frischheid terug te geven. De ziekte mocht zich eens tot de andere en meer geliefde planten uitbreiden. Men vervoegde zich echter bij den kwakzalver. Daardoor trad in plaats van beterschap, de ziekte al heviger op en de boom dreigde te sterven. Ook andere boomen begonnen reeds in meerdere of mindere mate te kwijnen. Het eene middel na het andere werd nu geprobeerd, zonder dat het hielp- Integendeel, het begint er van lieverlede veel, op te gelijken, dat de gansche hof verloren zal gaan en men straks ten koste van veel geld en moeite, weer van vorenal aan zal moeten beginnen, terwijl men met overleg en, eendrachtig streven, den gans Chen hof had kunnen redden. Men verborg de gevolgen zooveel mogelijk voor het oog der toeschouwers en lei ze verkeerd uit. De juiste oorzaak echter, daar werd niet. aan gedacht. Niet boven inde takken en de bladeren, maar onder bij de wortels, daar zat de kwaal. * * * Geachte lezers, is het bovenstaande niet liet beeld van onze hedendaagsebe maatschappij ? Was de eerste zieke en de door de Regeering veronachtzaamde boom, niet onze Nederlandsche Landbouw? Maatregelen tegen ons door het buitenland genomen, hadden tengevolge dat de landbouw de eerste en ergste klappen kreeg. Toen de crisis zich tot meerdere takken van onze welvaart uitbreidde, begon men met maatregelen, die ten ©enenmale onvoldoende bleken, zooals b.v. het renteloos voorschot aan. de aardappelmeelindustrie. Daardoor gaat het platteland in razend snel tempo naar den afgrond, mede ten gevolge dezer lapmiddelen, al verzachten ze het lijden ook ©enigszins. Maarde oorzaak: invoerrechten en uitvoerpremies in het buitenland, waarnaast vrije invoer in Nederland, gepaard aan de Nederlaindsche sociale politiek tast men niet aan. Toen dit voorjaar in Den Haag een boerénbetooging heeft plaats gehad, die op zichzelf misschien een mislukking is geworden,,, deed het mij goed dat, ondanks de ellende, die de menschen naar Den Haag voerde, ze blijk gaven nog steeds trouw te willen zijn, aan het Huis van Oranje. Ze hebben het laten zien en hoeren, dat al is de nood zeer, hoog gestegen, ze nog geen revolutionairen, zijn. De Regeensig zij gewaarschuwd. Maar toch zij deze Regeering gewaarschuwd-Wanneer de Regeering niet zeer spoedig met diep ingrijpende maatregelen komt, dan vrees ik, neen dan hoop ik, dat onze Regeering in. woelige dagen die heusch niet denkbeeldig, zijn bij een groot gedeelte van het platteland aan doovemansdeuren zal kloppen. En aan de heeren redacteuren van onze groote dagbladen, o.a. van het „Handelsblad”, zou ik willen vragen, of ze beseffen de groote verantwoordelijkheid, welke ze op zich nemen, als ze het uit duizenden wonden bloedende platteland steeds tegenwerken. En allen, die daar in macht en hoogheid zijn gezeten, zou ik in gedachten willen voeren, naar Spanje, dat het vorige jaar zijn koning heeft verjaagd. Waarom? Enkel en alleen omdat men het platteland, dat evenals in Nederland één der hechtste steunpilaren der troon, was, had verwaarloosd. Dat het hier in ons, 1 land nooit zoo ver moge komen! Want ik geloof, dat, mocht onze Regeering, de ellende op het platteland nog grooter laten worden, verreweg het grootste gedeelte van de plattelandsbevolking in revolutiedagen, zooal niet de zijde der revolutionairen zal kiezen, : dan toch door doffe wanhoop geslagen, geen, hand zal uitsteken om de bestaande orde te helpen handhaven en zal neerzitten op de puinhoopen van hun vroegere geluk en welvaart. 1 Jipsinghuizen K. BAKKER, ; HET VERKEERSONGEVAL. ’ Er was eens een man, die een vrachtdienst : onderhield. De weg waarlangs zijn dagelijksche route voerde was vrij goed berijdbaar. Wel waren er zoo hier en daar enkele kuilen en oneffenheden, maarde zware vrachtwagen reed, zonder veel hinder daarvan te ondervin, den, steeds kalm verder. Ook het uitwijken voor het tegemoet komende verkeer ging meestal zonder groote moeilijkheden, want de berm was voldoende breed en vast. ~ ’tWas herfst! Door de geweldige regens, r die onophoudelijk neerplasten, raakten de sloo-

ten boordevol water en werd de grond drassiger dan ooit te voren. Op een avond gebeurde het bijna onvermijdelijke. Bij het passeeren vaneen anderen wagen raakte de vrachtrijder met zijn voertuig te veel van den vasten weg af. De wielen boorden diep door den weeken bermgrond en woelden zich ten slotte geheel vast. Ineen sterk hellenden stand bleef de zware auto boven da diepe, langs den weg loopende sloot hangen. Een forsche duw, een gierende stormvlaag, een nog meer wegzinken inden moerassige» grond en het gevaarte zou wellicht onherroepelijk inde diept© storten. De bestuurder stond verschrikt en besluiteloos wat te moeten doen, hst schouwspel aan te zien, tot zich na eenigen tijd, meerdere menschen bij hem voegden, die het ongeval begonnen te bespreken. Velen zagen den toestand, waarin de wagen verkeerde, nog niet zoo hopeloos in. Een enkele evenwel was juist de tegenovergestelde meening toegedaan en waarschuwde onverwijld maatregelen te gaan nemen, om erger te voorkomen. Sommigen lachten, anderen spotten, terwijl een groot aantal zich onverschillig toonde. Veel goede raad werd ten beste gegeven, maar werkelijk iets doen, deed niemand. Dat. oordeelde men, moest van den vrachtrijder zelf 'uitgaan. Deze scheen echter uit al de aanwijzingen die men opsomde, geen keuze ta durven doen en bleef verlegen en zenuwachtig rondioopen. Eindelijk drongen enkelen steeds sterker aan niet langer te blijven toekijken, Eén stelde den vrachtrijder voor, zijn plan, om de zaak weer op den vasten weg te brengen, goed te keuren. „We laden,” zoo zei hij, „een groot gedeelte van de vracht af en halen intusschen hulp vaneen garagehouder, die vaker dergelijke karweitjes opknapt en daarvoor met zijn materiaal berekend is.” Sommigen boden hun hulp aan. De meesten bleven toeschouwer. Enkelen maakten aanstalten zich naar hun woning te begeven, om bij de wanne kachel nog wat over het ongeluk voort te praten. Het begon opnieuw te regenen. Ze zouden maar nat en vuil worden als ze de handen gingen uitsteken om te helpen. Tenslotte ging het hun, meenden ze, ook niet aan hoe de vrachtrijder zijn wagen uit den neteligen toestand redde. Deze laatste, ten slotte inziende dat hij niet langer lijdelijk kon blijven toezien, begon zich tegen het meest op den voorgrond geschoven reddingsplan te verzetten, door allerlei bezwaren er tegen aan te halen. Alles zal nat regenen, beweerde hij. Velen zouden daardoor schade ondervinden. „Ja, juist!” viel direct een groots menigte toeschouwers hem bij, plotseling bedenkende, dat het hun goederen en bezittingen waren, die zich in dsn wagen bevonden. Men kwam met materiaal aandragen, een takel, een ketting en eenige dikke planken. Vlug toog men aan het werk. Plotseling echter brak de ketting. Het gevaarte helde opnieuw over en kantelde met een doffen plomp in «de diepe bermsloot. Jammerklachten en verwenschingen vulden de lucht. Eensklaps besefte men dat er roekeloos gehandeld was. Thans zou het nog veel meer moeite kosten, de zaak weer op den begaanbaren grond te hijschen. Bovendien waren de goederen die zich inden wagen bevonden, grootendeels bedorven of geheel verloren. „Hadden we maar geluisterd,” klaagde men achteraf, „naar hem, die een meer betrouwbare reddingspoging voorstond. Wat een ellende en schade zouden we den vrachtrijder en ons zelf daarmee bespaard hebben.” * * * Het bovenbedoelde is slechts een eenvoudige schets, een simpel verhaaltje, maar zijn er geen; vergelijkingen te maken en valt er geen leering uitte trekken? Heeft onze overheid niet iets van den voerman, die zijn vrachtwagen de samenleving moet rijden overeen smallen, verharden weg met modderigs bermen? Wanneer het voertuig in die bermen vastraakt, is zij ziende blind en hoerend© doof, en meeat zij demi wagen nog overeind te kunnen trekken met een ketting van hechte nieuwe schakels beschermende sociale wetgeving en oude zwakke schakels de vrije concurrentie —, eens van deugdelijk metaal, maar door buitenlandsche smeden de politici met telkens weer neerdreunen.de mokerslagen bijna totaal verwrongen en stuk gehamerd. En zijnde toeschouwers bij het ongeval niet het groote publiek, verdeeld in zijn meeningen, sommigen waarschuwend, velen onverschillig, anderen beducht voor schade, enkelen zich terugtrekkend, behaaglijk en lui zich koesterend bij het warme vuur, zich in hun positie veilig wanend voor de kille koude werkelijkheid? Mag werden toegelaten dat inde maatschappij zich een soortgelijk drama voltrekt als bij het boven beschreven verkeersongeval? Neen toch zeker! Op dan allen! U geschaard achter hen, die met klem waarschuwen, opdat uit alle iagen der bevolking, de tegenwoordige smeden (de Kamerleden) in hun smidse op het Binnenhof luide inde ooren klinkt: Op gij smeden, aan het werk. Smeedt een keten hecht en sterk! Ruinerwold, Oct. ’32. W. EISEN. Nieuws uit de Afdeelingen. Groninger Boerenbond. Te ’t Waar (Old.) overleed de Voorzitter van het Voorloopig Bestuur der afdeeling Nieuw-Scheemda-’t Waar, de heer G. B. Heddema. In hem verliest onze beweging één harer ijverige, warme voorstanders, die ze ten allen tijde zoo noodig heeft. Eere zij zijn nagedachtenis. OMMELANDERWIJK, 10 Nov. Onder voorzitterschap van het v.l. Hoofdbestuurslid R. Nieboer Pzn., vond een vergadering plaats onzer afdeeling van den G. 8.8, in Hotel „De Ommelanden”. De voorz. gaf een uitvoerig , verslag van den stand van zaken. Spreker zette daarna doe! en streven van het op te richten 1 Propagandafonds uiteen. Staande de vergade: ring werd voor fB5 geteekend. De afwezige j leden zullen door het Bestuur persoonlijk wor[ den bezocht. Met „L, en M.” bleken alle leden [ zeer ingenomsn. 1 Overijsselsche Boerenbond. r Inde Hoofdbestuursvergadering op Dinsdag 115 Nov. j.l. gehouden, werden tot leden van het 1 Dag. Bestuur benoemd: ]. M. Kamphuis, Almelo, Voorz.; B. Krijt, Deventer, Vice-Voorz.; B. G. ten Cate, Lonneker, Secr.; K. Inberg, Hasselt, i, Penningm.; E. Meilink, Gramsbergen, 2e Secr.- .. i Penningm.