is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 46, 20-06-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr, weigert te aanvaarden, dat de prijsregelingen reeds een zoodanigen invloed op de prijsverhoudingen tot gevolg hebben gehad, dat reeds nu aan deze zijde eenzijdig tot aanpassing diende te worden overgegaan. De beperking, welke ten doel heeft vleesch, spek, melk en zuivelproduetie te verminderen, dreigt verschillende bedrijven, vooral de gemengde op de zandgronden, ook buitengewoon te treffen. Voor meerdere kleine bedrijven dreigt het productieapparaat onvoldoenden ontvang tc houden om een bestaan te kunnen verzekeren. In meer dan één opzicht gaan we ineen niet gewenschte richting wat de bedrijfsexploitatie betreft.

Het productie apparaat der landbouwbedrijven moet in stand gehouden worden. Het productieapparaat der bedrijven zal inde eerste plaats zooveel mogelijk intact moeten worden gehouden. De productie der landbouwbedrijven moet voorrang hebben op den afzet in het binnenland boven alle van vreemden oorsprong. Er dient das voor meerdere producten grooter af zet in. het binnenland te worden verschaft. Naast onafwendbare georganiseerde beperking dient de prijsregeling meer op den, voorgrond te worden gesteld dan tot heden, opdat de indexcijfers voor de landbouwproducten op redelijk niveau komen. Door onderlinge juiste verhouding der prijzen moet de boer beter dan thans ins aat zijn, zijn bedrijf bedrijte-technisch Ie voeren. Daarbij is een goéde vruchtwisseling een eerste vereischte. Op de iichtere gronden dient dan ook weer een ruimere plaats voor verschillende hakvruchten te worden ingeruimd. Men opene daartoe de gelegenheid door het nemen van maatregelen, welke producten van eigen bodem grooter afzet in het binnenland verzekeren. Tot heden hadden vele maatregelen tot resultaat een verplaatsing van de moeilijkheden, hetgeen spr. nader aantoont. Dat hier groote moreele gevaren schuilen, indien de huidige toestand blijft bestendigd, staat, naar sprekers overtuiging wel vast. Spr. besluit met het uitspreken van de hoop, dat de regeering en de volksvertegenwoordiging de overtuiging krijgen, dat bet toelaatbaar en gerechtvaardigd is de klove, welke nog bestaat tussehen de indexprijzen van landbouwproducten en de kosten van levensonderhoud op korten termijn weg te werken en de afzetmogelijkheden in eigen land te vergrooten van de producten, welke de Nederlandsche boerenstand met taaie volharding en noesten ijver voortbrengt, zulks ten behoeve van de instandhouding van intensief gedreven bedrijven, zulks in het belang van het behoud vaneen Machtigen boerenstand. De veehouderij en de crisis-maatregelen. De derde spreker was de heer R. Visser, bestuurslid van den Groninger Zuivelbond. Spr. begon met de opmerking, dat in dit koor van landbouworganisaties de stem van #en Groninger Zuivelbond moeilijk gemist kan worden. Daarin toch klopt in bijzondere mate het hart van den veeboer. Dit deel van den landbouw heeft inde laatste tijden in bijzondere mate aller belangstelling en is die ook waard, omdat het is eender steunpilaren van ons nationaal volksbestaan. Spr. gaf ter illustratie daarvan enkele cijfers. De totale oppervlakte grasland bedraagt rond 1.300.000 h.a., die van bouw- en tuin- INGEZONDEN MEDEDEELING. KRAMER – Stadskanaal Meubelen – Luxe- en Huishoudelijke Artikelen Uit Huis en Hof verdreven. Een greep uif het boerenleven dezer dagen (Alle rechten voorbehouden) DOOR J. H. HOLM. XLVI. Harm legde nu zijn financieele zorgen aan Van Hameren bloot. Zijn schulden aan Reinders bedroegen nu nog f2lOO, doch daar hij geen cent meer bezat om af te dragen, stond toet deze f2lOO zijn geheele bedrijf op het spel. De regeeringstoesiagen-, die nog waren te verwachten, konden op dit oogenbtik geen uitkomst brengen. Van Hameren beloofde hem, dezen dag nog voor de f 2100 te willen zorgen en Harm moest enkel toezeggen het resteerende huurjaar aan den nieuwen huurder of eigenaar over te zullen doen, opdat hij er nog dit jaar afwas. Hij mocht de schuld aflossen, wanneer hij er toe in staat was, desnoods wei in gedeelten. Lastig zou Van Hameren hem er niet om vallen. Hiermede was het onderhoud afgeloopen. Drukke bezigheden noopten Van Hameren elders te zijn en zoodoende verlieten drie mannen, elk met hun eigen gedachten, bet royale kantoor van den rijken bouwondernemer, die het inde hand had, roenseben naar zijn wil te kunnen zetten. Stoters was niet voor de volle 100 procent ingenomen met het beloop van de regeling. Hij zag straks zijn oudsten zoon verjaagd uit de rijen der statige boerderijen, waar hij hem zoo gaarne zag. Hij vond dat Harm eigenlijk verraad aan zijn stand bedreef, doch hij wist ook, dat geld ©en voorname rol in het leven speelt en dat daarvoor alles moest buigen. Voorts wist hij ook, dat bij gerust naar huis kon gaan, want dat zijn vrouw nu alle bezorgdheid over haar oudste wel ter zijde kon zetten en dat was ook een groot voorrecht, gezien haar zwakke Höhaaimsgesteidlheid. XVIII. Harm Stoters had zijn bedrijf gered, het beslag was opgeheven, doch de boerderij veranderde van eigenaar. Een baoonfabrikant stak een gedeelte van zijn jaarlijksehe winst, die eigenlijk inde zakken van de boeren be-

grond nog niet 1 miliioen h.a. Bovendien doen vele akkerbouwgewassen dienst als veevoeder, zoodat het gedeelte van den Nederlandschen cultuurgrond, dat zijn beteekenis ontleent aan de veehouderij, op ongeveer 75 pet. geraamd' kan worden. Meer dan 500.000 personen leven van het veehoudersen zuivelbedrijf. De waardevolle beteekenis van de veehouderij wordt nog versterkt, wanneer men tot op de geproduceerde vetten in ons land: ruim 140 miliioen Mg. melkvet per jaar, en naar raming 100 miliioen k.g. slaehtvet en spek. In totaal mag men aannamen, dat meer dan 500.000 personen van het melkveehouders- en zuivelbedrijf leven, niet gerekend nog dé 25.000 melkslijters met hun gezinnen. Spr. wees daarbij op de, tengevolge der toenemende beteekenis van de veehouderij, stijgende bedrijvigheid :n industrie en handel, scheepvaart en andere takken van ons volksbestaan. Gezien de impasse waarin de veehouderij zich thans bevindt, wekt deze herinnering aan hetgeen eens was, iets weemoedigs. Immers vaneen vrije ontwikkeling en ontplooiing is thans geen sprake meer. Integendeel, hetgeen eens met energie en toewijding is opgebouwd, staat te schudden op haar fundamenten. Ook dit toonde spr. met eenige cijfers van de boterprijzen aan, die sedert 1930 van om en bij f2 per k,g. daalde tot f0.93 per k.g. in 1932, het jaar waarin de crisis-zuivelwet tot stand kwam. Al zijnde veehouders dankbaar, dat de Regeering toen prijsregeiend is opgetreden, toch dient men ook buiten den kring der veehouders te weten, dal er thans een toestand is, waarin verandering moet komen. De sombere vooruitzichten der bedrijven dreigen de energie te dooden en de technische volmaking te verbreken. De huidige toestand maakt het noodzakelijk, dat vrouw en kinderen geëxploiteerd worden voor het bedrijf. De inkomsten uit de melk voortspruitende worden al geringer. Van den in uitzicht gestelden richtprijs van 5 a 6 cent per k.g. van regeeringswege is geen sprake, alhoewel menige veehouder zulks verwachtte. Voor den veeboer de nood grooter dan ooit tevoren, De ervaring toont, dat de werkelijke prijs aanmerkelijk lager is. Over de jaren 1932 tot 1934 was deze ruim 41/» cent per k.g. en vrij, zeker zal over het tijdperk Mei 1934—1935 opnieuw een verlaging van i/z cent per k.g. te boeken zijn. Voegt men hierbij de groote waardedaling van het vee, dan moet het ieder duidelijk zijn, dat het nog steeds bergafwaarts gaat en dat voor den veeboer de nood grooter is dan ooit tevoren. Niettegenstaande dezen noodtoestand zijn er nog altijd die meenen en zeggen, dat de boerenstand zich heeft te schamen om hulp bij de overheid te zoeken. Spr. komt daartegen op en is van meening, dat juist zij, die zoo spreken en zoo weinig van het wezen der zaak doordrongen zijn, dat moeten doen. Alle beschuldigingen van armen- of werktoozensteun aan boeren, getuigt van onkunde, daar de geheele iandibouwcrisiswetgeving niet is het verleenen van steun in dien zin, maar vaneen prijsregeiend optreden om dezen welvaartstak in stand te houden. Spr. komt op tegen de verwijten, die te dien opzichte tegen de veehouderij en de zuivelbereiding zijn gericht en wijst op de offers, die de veehouderij heeft moeten brengen door de afslachting en melksteunbeperking haar opgelegd. Wie meent, dat het zoo voortgaan moet, vergeet, dat men een stuk Nederlandsche cultuur iaat verschrompelen. Een doorgaan in deze richting moet leiden tot een melk- en veeloosheid, tot een verbreken van hetgeen met zorg is opgebouwd en tot een laraslaan der bestaande Levenskrachten. Een binneniandsche vijand. Het is een ernstige plicht van zelfbehoud, dat steeds weer gewezen wordt op de groote hoorde, in het geërfd bezit van Rekders. Meende Stoters aanvankelijk dat de schande van het beslag leggen aan het oog van de wereld was ontgaan, hij moest tenslotte wel erkennen, dat hij zich daarin vergist had. „Men” had gezegd en „men” wist er alles van, wat er bij Harm voorgevallen was en al deed Sloters onverschillig en wilde hij het met een lachend woord ontkennen, niettemin geloofde die „men” het er des te gretiger om. Reeds enkele avonden na dien bewusten morgen bij Van Hameren op het kantoor, kwam Koos bet erf bij zijn vader opgewandeW. Hij placht te dat wei waker te doen, doch Stoters begreep de komst van Koos, die hij angstvallig buiten Harm’s noodtoestand gehouden had. Hij was bang dat Koos zijn mond eens voorbijpraten zou en dat zoodoende Beukers gewaar zou worden, hoe scheef het er bij hem al voorstond. Koos praatte dien avond lang, doch toen hij vertrok en Sloters hem naar buiten volgde, vroeg Koos zijn vader, of het waar was, wat er over Harm gesproken werd. Sloters deed net of hij van niets wist en hoorde nu uit den mond ven zijn jongsten zoon, hetgeen vreemden hem ook al hadden laten voelen. Hij had Koos nog altijd in het vertrouwen en wist dezen naar huis te sturen mot de gedachte, dat die geruchten allemaal onzin en laster waren. „Ziezoo”, had Sloters gedacht, „die oude Beukers zal het voorloopig nog niet weten,” Het woord gaat verder dam de man en wat Stoters niet wist, dat was dat het voor ieder in het dorp ©en publiek geheim was, dat Sloters ook niet heel vast meer inden zadel zat. Enkelen begrepen er niets van, dat die rijke Stoters de crisis niet beter kon weerstaan, anderen verheugden zich over bet droeve lot vaneen collega, nog weer anderen hadden medelijden met de vrouw, doch over het algemeen kon Sloters zelf niet op veel sympathie rekenen. De oorzaak hiervan was, dat Stoters min of meer boven zijn stand geleefd had, liefst omgang zocht met den dokter, den veearts, kortom de voornaamste dorpsnotabelen en gewoonlijk de boeren met kleiner hoeve niet heel veel telde. Zoo knaagde de laster heimelijk voort, doch Sloters kwam meer en /neer tot de overtuiging, dat wa,t hij nog als geheim meende te kunnen beschouwen, een algemeene bekendheid had verworven. Dat dit zijn exedietwaardigheid, die hij nu zoo bitter noodig had, niet zou bevorderen, begreep hij ook en hierover was bij niet zonder zorg.

gevaren van den ingeslagen weg en op de consequenties waartoe deze leidt. Zoolang er nog binneniandsche vijanden te overwinnen zijn, en binneniandsche kanalen welke ter verbetering kunnen leiden, zoolang kunnen deze maatregelen niet de liefde der veehouders verkrijgen. Tot de binneniandsche vijanden rekent spr. de margarine. Door het menggebod van boter en margarine heeft men een gedwongen huwelijk tot stand gebracht. Spr. wekte de boeren op inde eerste plaats geen surrogaat te vragen. Zoolang er van het natuurlijk product een teveel Is, een teveel dat ten koste van den producent wordt weggewerkt, zoolang dient de producent het zelf te consumeeren en mag hij er roet Mem op aandringen, dat de Regeering in dezen krachtig optreedt tegen deze surrogaten. Dat er bij de verhooging van het mengpercentage van 15 op 25 ingaande 6 Mei 1935, een verlaging der heffing plaats had met 16 cent op de margarine, waardoor deze verlaagde onkosten verkreeg, heeft dan ook algemeene verwondering gewekt, om niet van ontstemming te spreken. Indien er van Regeeringswege geen maatregelen worden genomen, zal dit product steeds een rem blijken te zijn op den boter – prijs en het boterverbruik. Spr. betoogt in verband hiermede de wenschelijkheid om het beginsel van de tarwevoorziening ook op de velproductie toe te passen. Inde margarine-industrie waren nog geen 1500 personen werkzaam. Ter wille van de margarine-industrie, waarin in 1934 nog geen 1500 personen werkzaam waren, mag men de meer dan 500.000 personen, die verbonden zijn aan het veehoudersbedrijf, niet laten ten ondergaan. De 55 miliioen k.g. margarine, welke in ons land geconsumeerd worden en welk© ontstaan door het verwerken van buitenlandsche vetten, kunnen en moeten vervangen worden door natuurboter. Voorts stond spr. stil bij de andere zuivelvraagstukken; de actie voor het gebruik van melkbrood en een betere plaatsing der ondermelk. En ten slotte besprak de heer Visser nog de veeafsiachting, de teeltbeperking en de melksteunbeperking. De veeafsiachting heeft geen invloed uitgeoefend op de melkvoorlbrenging ais zoodanig. Met de teeltbeperking heeft men het innerlijke van het bedrijf aangetast, omdat de instandhouding en opbouw groote moeilijkheden ondervonden. De groote consequentie, welke de melksteunbeperking ten gevolge heeft, zijnde afbraakprijzen van het vee. Spr. concludeert dan ook, dat men alles had moeten doen om de bezwaren., die met den dag groeien, op te lossen in plaats van dit systeem te handhaven. Financieel is de massa-veeboer geruïneerd en de weg, welke nu ingeslagen wordt, geeft hem het gevoel, dat ook nog zijn bedrijf in alle opzichten kapot gaat, doordat elke expansie ontbreekt. Spr. zou niet willen, dat ook de- andere volksgroepen tot ditzelfde niveau moeten worden gebracht, doch wanneer men van Regeeringswege plannen heeft, om tot ’siands behoud door verschillende bezuinigingen en verlagingen ons volk te redden, laat men dan in die groepen niet vergeten, hoe in allerlei opzicht de veehoudersbedrijven zijn voorgegaan. Spr. drong tenslotte aan op eendrachtige inspanning van krachten om schouder aan schouder le trachten de veehouderij vaneen totalen ondergang te redden. Sluit de gelederen! De adviseur van „Landbouw en Maatschappij”, de heer J. Smid, had tol onderwerp van zijn rede gekozen: Sluit de gelederen! Deze titel, aldus spr., wijst er reeds op, dat ik een krachtig woord wil spreken ten gunste van de vorming vaneen eensgezind agrarisch front. Niet alleen in het belang van de landbouwende bevolking, maar ook in dat van het geheele volk. S==S9=—=s==s De eene dag rijde zich aan den. anderen en zoo ging de zomer langzaam voorbij. De natuur was Sloters gunstig en zijn landerijen toonden overal een mooien aamlblik met een veelbelovend gewas. Zijn aardappelen hadden het geluk gehad slechts weinig afgevroren te zijn, terwijl in zijn omgeving akkers waren, die een heéton tijd opnieuw zwarte aarde geleken, zoo had de vorst er huisgehouden. Zijn rogge was zoo weelderig, dat de halmen nauwelijks staande konden blijven en zijn enkele tarweakkers stonden er goed voor. Alleen gras-, dat had hij nauwelijks genoeg voor zijn melkvee, doch wanneer het etgroen maar vlug opschoot, dan redde hij zich daar wel weer uil. Stoters werkte allé dagen ijverig mede in zijn bedrijf, waar slechts Kool de eenige huitp was. In het begin van den zomer waren ze met hun beiden banden tekort gekomen, doch later waren ze het werk baas geworden en voor het maaien van bet graan, kwamen ze beiden wat op verhaal Ofschoon het Stoters moeilijk viel, had hij het toch völgehouden en eenige akkers koren gezicht, wat hij in geen jaren gedaan had. Hij deed het ook niet voor plezier, doch om eenige tientallen guldens ia den zak te houden. Buren en dorpsgenooten hadden er ook van opgekeken, dat hij daar in de brandende zon stond het graan schoof voor schoof weg te maaien. Geld!, daar draaide alles om bij Stoters. Toen hij al zijn koren aan hokken had staan, was zijn beurs bijna plat, zijn brandkast was al lang leeg en hij wist niet hoeveel huishoudgeld zijn vrouw nog bezat. Als er iedere veertien dagen geen melkgeld van de fabriek kwam, zou hij niet weten, waar de kleine uitgaven van te moeten doen. Zijn vrouw durfde hij niet in zijn zorgen dealen, want hij schaamde zich over zijn armoede tegen haar en bovendien, nu het aardig goad met haar ging, wilde hij haar liefst niet opnieuw terneerslaan door al zijn beslommeringen. Doch op een Zaterdagavond, de eerste nadat het koren inde schuur geborgen was, wat hem nog al wat geld gekost had voor los personeel, moest hij aan Kool de beschamende vraag doen, of die ©en week kon wachten op zijn weekloon. Kool had hem vreemd aangekeken, en er moesten eenige ©ogenblikken verloopen, voordat de beteekenis van die vraag tot hem doordrong. Hij kon zijn baas gerustste-Jien; hij verklaarde zich wel meerdere weken te kunnen redden, ate het moest. Nu het koren geborgen was en de dorsefa-

Er beslaat ondanks de Regeeringsmaalregelen, nog altijd een schrille wanverhouding lusschen wat de landbouwer voor zijn producten en diensten ontvangt en wat hij voor die van anderen moet betalen. Zoowel in het belang van bet economisch herstel in stad en land ate van de sociale rechtvaardigheid, moet deze wanverhouding verdwijnen. De landbouw behoeft geen steun, maar mag eischen een grondslag voor de prijsbepaling, die in overeenstemming is met den grondslag, die voor andere bevolkingsgroepen geldt. Voor deze laatsten is de vrijhandel geheel uitgeschakeld. Voor den landbouw wil men hem echter nog altijd zooveel mogelijk laten gelden. Daartegen dient voortdurend met kracht te worden opgekomen. Twee middelen zijn noodig om het gestelde doel te bereiken. Eenerzijds een doelmattig systeem, waarover spr. het heden niet wil hebben. Anderzijds bet scheppen der politieke mogelijkheid om bet gewensehte systeem te doen slagen. Daarover wil spreker enkele opmerkingen maken. Bij gelegenheid van de minJsterverwisseling aan economische zaken, is dooreen onzer bladen gezegd, dat de landbouw meer moest worden bekeken dooreen industrieelen bril. Spr. meent, dat dit reeds veel te veel is geschied. Men kan dooreen industrieelen bril den landbouw niet juist zien. Doch wat meer : is, men kan met behulp vaneen industrieelen : bril ook geen goed gezicht krijgen op de 1 maatschappij. i De agrarische bril geeft een juisteren blik. Om de maatschappij uit de ontreddering te helpen, waarin zij verkeert, moet men haar minder bekijken dooreen industrieelen. bril en meer dooreen agarischen bril. Men kan dan alleen de groote waarheden op economisch en sociaal gebied terug vinden, welker verwaarloozing ons inden put heeft gebracht. Het doelmatig gebruik vaneen agrarischen bril bij de bestudeering der maatschappij, heeft spr. in staat gesteld onmiddellijk na den oorlog te voorspellen, dat de toen door de democratie ingeslagen wegen, de maatschappij en de democratie zelf te gronde zouden richten. Dat spr. gelijk heeft gekregen, zal niemand durven ontkennen. Wat hij echter nooit had kunnen denken, is, dat men om allerlei leuzen te sparen, de waarheid nog niet onder de oogen durft zien en door allerlei drogredenen de publieke opinie ineen richting leidt, die economisch herstel politiek ónmogelijk maakt. Spr. wijst hier inzonderheid op de dwaze koopkracht-theorie en op de onjuiste voorstellingen, welke worden gepropageerd inzake het grond- en hypotheckkapitaal. Wat wij noodig hebben is een verstandige politiek en deze verwacht spr. vaneen grooteren invloed van den landbouw op het economisch denken. Spr. acht het jammer, dat de boerenstand op onze economische en sociale politiek zoo weinig invloed uitoefent. Hij ziet om tot econ. her- 1 stel te komen, eender voornaamste middelen < inde economische en politieke ontwaking vans de landbouwende bevolking. t Het is daaraan, dat hij zijn laatste levens- i jaren met volle overtuiging wijdt. Veel zal hij 1 echter niet meer kunnen doen. j Hij hoopt daarom, dat voortdurend meer jonge krachten naar voren treden, die zich aan < deze taak geven. 1 Met ontwaken alleen komt men er echter ( niet. De ontwaking moet leiden tot aaneen- i sluiting van alle groepen van bij den landbouw ( direct en indirect betrokkenen., opdat zich zoo- . doende de macht ontwikkelt, die andere kringen tot nadenken dwingt. Inzonderheid wil spr. in dit verband de aandacht vestigen op j de noodzakelijkheid vaneen goed geleide plattelandspers. Teneinde ons volk te bevrijden van veel i onverstand, dat een op verkeerd inzicht be- J rustende democratie inde hoofden heeft gemachines in het dorp ratelden, was Stoters’ j eenigste hoop op die machines, die zijn graan i zouden dorschen, zoodat hij een honderd mud < rogge kon verknopen. ’tZou voor kunstmest i nog niet veel zijn, want ook het aardappel- < rooien moest er van betaald worden, doch in \ ieder geval zou hij voorloopig zich weer kun- i nen redden. « ♦ * ♦ De herfst deed zijn intrede en met zijn 1 komst was het gedaan met het mooie weer. c De werkzaamheden moesten er om doorgaan t en Sloters kwam vaak met een nat pak thuis. ( Zijn humeur werd onder dit alles niet aange- i namer, wat zijn vrouw ook wei bemerkte. Castor, die soms vertrouweiijlk zijn kiop op de « knie van den baas legde, kreeg niet de aan- j dacht van voorheen en kon maar niet begrij- j pen, waarom hij niet meer notitie waardwas. < Ineen week, toen de buren allen aan het < kunstmestzaaien waren, steeg Stoters’ prikkel- i baarheid tot een hoogtepunt. Hij kon het een- ; voudig niet zien, dat andere boeren hun land i bemestten en hij het niet doen kon. Ineen < nare stemming was hij gewoonweg uit zijn, , werk geloopen naar huis. De hond die blijde ( tegen hem wilde opspringen, snauwde hij af, zoodat het dier met de staart tusseben de bee- i nen afdroop. Zijn vrouw vroeg hem, wat er aan de hand was. 1 „Ik moet maar eens achter de kunstmest ] aan”, zei hij. I „Kunstmesi?” vroeg ze, doch ze durfde niet ] meer te vragen, want ze wist niet, waar het i geld vandaan zou moeten komen. Stoters was weinig spraakzaam; hij verkleed- I de zich, sprong op de fiets en reed naar de . stad. Hij zou het nog eens bij Goedkoop en Co. • probeeren, waar hij ook nog voor geleverde kunstmest in bet krijt stond. Met mooie beloften kreeg hij wellicht nog wat los. Op het kantoor van Goedkoop aangekomen viel hem de koele ontvangst op. Naast een klerk was slechts de procuratiehouder aanwezig en alhoewel de toon beschaafd en beleefd was, bemerkte Stoters niet meerde vroegere ingenomenheid roet zijn verschijning. Eerst nadat hij een poosje bij de deur had gestaan, werd hij genoodigd een stoei te nemen., en het kistje sigaren, waar ze anders zoo vlug mee voor dan dag kwamen, bleef gesloten. „Dat wordt hier niets”, dacht Sloters. Hij talmde lang met het doel van zijn komst te vertellen, doch eindelijk begon bij er lang-

bracht en nog dagelijks brengt, dient dit volk te worden ingeënt met de verstandigheid, die men op de volkshoogesehool te Bakkeveen heeft ontdekt inden jongen landbouwer. (Zie het hoofdartikel in dit no. Red. L. en M.). Spr. ziet in deze gecombineerde vergadering een krachtige stap inde door hem voorgestelde richting. Mogen andere provincies spoedig het door Drenthe en Groningen gegeven voorbeeld volgen. Het gaat, naar spr. nog eens nadrukkelijk wil doen uitkomen, niet alleen om de landbouwende bevolking, maar ook om het geheele volk. En vooral ook om wat er goeds is inde democratie. Deze moet ophouden haar hart te blijven verpanden aan allerlei dwaasheid, zij moet verstandig worden. Spr. roept daarom allen toe, die nog van verre staan: Sluit de gelederen, opdat de politieke mogelijkheid wordt geschapen, die maatregelen te nemen, welke noodwendig genomen moeten worden, om de maatschappelijke machine weer te doen loopen. Naar de verschillende redevoeringen werd aandachtig geluisterd. Ze werden herhaaldeiijk door krachtig applaus onderbroken. Motie aan de Regeering. Onder luiden bijval dier vergadering werd namens de gezamenlijke besturen besloten, een motie aan de regeering te zenden, waarin de bijeenkomst, welgeteld bezocht door 2400 personen, als haar meening uitspreekt: „dat de bearbeiding van den Nederlandschen bodemde voornaamste bestaansgrond is van ons volk en dat een welvarende en sterke Nederlandsche natie niet is te denken zonder een flinken, talrijken, onder rechtvaardige toestanden levenden Nederlandschen boerenstand, dat ieder Regeeringsbeleid moet uitgaan van het scheppen van goede ontwikkelingsmogelijkheden en redelijke bestaansvoorwaarden voor onzen boerenstand, dat, ondanks de laindlbouwcrisiswetgeving, daaraan tot op heden zeer veel ontbreekt, omdat de huidige maatschappelijke ontwikkeling een verarmd platteland schept, daar onze boerenstand geen redelijke, in ons nationale loon- en kostenpeii passende productenprijzen ontvangt, dringt er bij de Regeering met de meeste klem op aan spoedig te bevorderen: dat door verhooging van de prijzen der bodemproducten en door verlaging der op de bedrijven rustende kosten een loonemde bodemexploitatie mogeldjk wordt, dat, voor zoover het belang van de Nederlandsehe bodempreductie dat vraagt, tot het uiterste wordt gepoogd de eigen voortbrengselen een toonenden afzet te doen vinden op de binneniandsche markt, dat de loonen, salarissen en andere kosten in onze geheele samenleving ved meer uit het inden landbouw bestaanbare worden afgeleid.” Met een pakkend slotwoord van. den voorz. waarin hij er op wees, dat niettegenstaande dezen dag inde natuur zich donkere wolken samenpakten, waar de zon geen ©ogenblik vermocht door te breken, maar dat inde vergadering de zou der eensgezindheid had geschenen, werd dè bijeenkomst gesloten. Mét den heer Van Bruggen hopen we, dat die zonder eensgezindheid zal blijven schijnen. En dat ze niet alleen moge schijnen boven Groningen en Drenthe, maar spoedig moge opgaan boven het geheele Nederlandsche platteland ! INGEZONDEN MEDEDEELING. Aparte collectie Damesstoffen Willen U gaarne onze soorten toonen. Bericht U ons even ? Fa. I. JAKOBS Hzn. – Emmen GRATIS KNIPPEN. zaam mee voor den dag te komen. Hij informeerde naar de kali- en phosforprijzen en tenslotte moest bet hooge woord er maar uit. Hij wou wel een partijtje aankoopen melt betaling op November. De procuratiehouder noteerde hoeveel Sloters verlangde, doch het stereotype antwoord: „Komt in orde. mijnheer, wij zuilen er voor zorgen”, bleef achterwege. De procuratiehouder lei zijn potlood neer, keek Sloters eens aan, streek zich met de hand door het baar en zei: „Ik zal er met den patroon over spreken, mijnheer Sloters. Binnen eenige dagen hoort u er wel meer van. Of is er haast bij ?” „Dat is ook een vraag”, dacht Sloters. «Of er baast bij was? Die man, daar voor hem;, moest eens weten, dat hij van narigheid over de kunstmest van het land geloopen was. Verschillende pereeeten lagen klaar en wachtten slechts op de kunstmest, om dan geploegd te worden. De procuratiehouder stond1 op, wat zooveel beteekende, dat Sloters wel gaan mocht. Bij de deur zeide de man nog, dat indien Sloters werkelijk baast had, hij morgenvroeg wel terug mocht komen, dan zou de chef wel aanwezig zijn. Sloters deed nog een vage belofte van terug te zullen komen, groette en ging heen. Erg uit zijn humeur reed hij bet stadje door. Hij voelde zich gekrenkt en danig in zijn wiek geschoten .Hij bedacht allerlei mogelijkheden, hoe of hij hier of daar nog kunstmest los zou praten. Of zou bij er met zijn schoonzoon over gaan spreken? Als Annie wist in welke moeilijkheden hij verkeerde, zou Jan wel moeten bijspringen. Als die kon tenminste, want de oude heer Van Hameren regelde gewooniijk de geldzaken alleen. Deze gedachte zette hi) zich ook weer uit het hoofd, omdat zijn geweten er tegen in opstand kwam; zijn oude trots ging weer den boventoon voeren en onverrichter zake reed hij maar weer naar huis. Eenige dagen later, toen hij om den middag van het land kwam, zat zijn vrouw met een bedroefd gelaat bij de tafel,- waarop een open* gesneden brief lag. Hij begreep terstond, dm dit de oorzaak van haar verdriet moest zijn-Hij nam den brief terstond op. Van Goedkoop en Co. stond op de enveloppe en Sloters vreesde het ergste , (Wordt vervolgd)-