is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 4, 1935-1936, no 32, 05-03-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 Maart 1936. 4e jaargang. LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No. 32. Tweede Blad.

het Zeeuwsche Platteland Vooroordeel en onbekendheid. Dat zijn twee factoren, die vooral in Zee-ahd een groote rol spelen, waar het betreft agrarischen bond. wanneer men bij het voeren van propasanda, de conversatie brengt op het ter- Iph van Landbouw en Maatschappij, komen pZe factoren in allerlei vorm naar voren, «en van de motieven, die werden aange-W>erd als reden voor gereserveerdheid, is ? el de verhouding tusschen de Zeeuwsche landbouw Maatschappij en L. en M. Velen nog zijnde meening toegedaan, als de actie van Landbouw en Maatschappij ‘h Zeeland, afbreuk doen aan de saamhoongheid onder de Z.L.M.-leden. Degenen, die een of meer propaganda-vergaderingen van ®hzen bond hebben bijgewoond, zullen wel l°t_de conclusie gekomen zijn, dat er van actie tegen de Z.L.M. absoluut geen ®Prake is. En bestuur èn propagandisten bsbben steeds gewezen op het groote nut Van deze organisaties voor onzen Nederlandsen landbouw. Steeds werd door de provtaciale organisaties het technisch en comjbercieele gedeelte op voorbeeldige wijze behartigd. Zou het dan geen dwaasheid zijn tan de leiders van L. en M. om te trachten hergelijke organisaties schade toe te brengen* waar het deze organisaties zijn, die hen Nederlandschen landbouw hebben opgevoerd tot op het huidige peil? Technisch ®taan onze bedrijven heel hoog en men zal bezwaarlijk den Nederlandschen boer kunnen verwijten, dat achterlijkheid of onwetandheid de oorzaak is van den benarden gestand, waarin de landbouwende bevolking verkeert. Er moeten dus andere oorzaken zijn, paruit deze benarde toestand inden landbouw geboren werd. Werd het technische, commercieele gepelte voor den landbouw voortreffelijk behartigd, even hard werd het politieke ecohomische gedeelte verwaarloosd. Andere groepen der Nederlandsche bevolking organiseerden zich en vormden poli-Jtake machten. De Nederlandsche boer bleef tasschen deze politiek georganiseerde groepen als een eenling achter. Het gevolg hieraan moest wel zijn, dat waar het landbouwaangelegenheden betrof, er maatregelen werden getroffen en beslissingen genohlen. zonder dat de meening van den boeïenstand werd gevraagd. (Zie verlaging tanden tarwe-richtprijs, vermindering der bietengarantie voor Zeeuwsche bedrijven.) Wil men verandering in dezen noodtoestand op het platteland, dan zal een allereerste vereischte zijn, zijn bewoners politiek sterk te maken en zijn jeugd op te taeden in het besef, dat politieke en econo- j hüsche geschooldheid even hard noodig zijn Sis ons dagelijksch brood. Dat de leiders der provinciale organisa- j Ues weldra tot dezelfde conclusie zullen kohen, betwijfel ik geen oogenblik. Een tweede motief, dat nog wel eens wordt, hungevoerd, is de vermeende voorliefde, die h. en M. zou hebben voor de N.S.B. Landbouw en Maatschappij stelt zich bo-Ven iedere politieke partij en waar haar leden aanhangers zijn van verschillende po- | jjtieke of godsdienstige richtingen, kon men bezwaarlijk aannemen, dat ze, voor welke Politieke partij ook, eenige voorkeur zou «ebben. | De doelstelling van onzen bond Is, alle bodemproducenten, Inden ruimsten zin des Noords en ongeacht hun politieke of gods- i dienstige richting, samen te brengen, óm ta strijden tegen de verkeerde inzichten op | economisch en sociaal gebied, die den boekenstand en het geheele platteland in ernstige mate dupeeren. | Het is dan ook wel te betreuren, dat vele Plattelandsbewoners nog totaal onbekend Sljn met het doel en streven van Landbouw en Maatschappij. j Velen, die niet direct behooren tot het FEUILLETON. Onvervulde Hoop Door HATé. A 27. Ze verkeerde in dagen als deze, waar ze V°l bewondering moest zijn voor Van Ha- . Sen, wel eens even in tweestrijd met haar , hefde, vooral als de financiën ook nog een mee spraken. Het contrast was wel j ™at al te groot: de schatrijke Van Hagen ; de arme Jan van Dal, wellicht een ge- 1 jtaon daglooner of werklooze ergens inden 1 taeemde. Doch slechts even duurde deze “'rij fel. Dan week het beeld van Van Hagen j '°°r dat van Jan van Dal en een eigenaardige gewaarwording, die zij niet onder gorden kon brengen, bekroop haar altijd, ?Is ze aan Jan dacht. Evenzoo kon ze zich et beeld van Van Hagen, hoe schitterend en zelfs soms haar volle sympathie bevattend, niet voorstellen, zonder dat een berjemmende vrees zich van haar meester caakte. Intuïtief begreep ze, dat hier haar art sprak en ze wist zich het veiligst en als ze de ingeving van haar hart 01gde. Bij al de schatten van de wereld zou Hagen in haar ziel toch nog plaats jveten maken voor den armen Jan van • Zij voelde zich er ook wel eens gev Serd door, want ze wist, dat Van Hagen yQat werkelijk beminde en niet begeerde ke?,reen enkelen avond, zooals ze aanvanlta gedacht had. Met de volharding en hartstocht, die ze in zijn | >Weele wezen wist, wachtte hij steeds op 1 *tag, dat ze voor zijn liefde bezwijken | Wj. Ze wist dat ze hem overgelukkig kon ! tad n’ a, hem niet alleen, maar ook haar , fcu ers, wanneer ze op zijn aanzoeken in- : W®- Alleen zij ""'f zou er geen geluk i tanuien vinden. Ze wist, dat als ze zooi

produceerende gedeelte der landelijke bevolking, meenen, dat onze strijd gestreden kan worden zonder hun medewerking of ze meenen, dat hun belangen niets hebben uitte staan met die van den bodemproducent. Onder deze z.g. buitenstaanders bevinden zich nog vele ambachtslieden en boerenarbeiders. Dat hun belangen ten nauwste verbonden I zijn met die van den bodemproducent, is wel heel gemakkelijk aan te toonen. Volgens een zeer eenvoudige economische wet toch, moeten in ieder bedrijf, dus ook in ’t boerenbedrijf, de uitgaven kunnen worden gedekt door de ontvangsten (om niet te spreken vaneen redelijke winst voor den ondernemer) . Wanneer wij nu de uitgaven vaneen landbouwbedrijf aan een nadere beschouwing onderwerpen, komen wij tot de conclusie, dat deze uitgaven in hoofdzaak kunnen worden verdeeld als volgt; le. Pacht of hypotheekrente + gronden polderlasten. De pacht- en koopprijzen der landerijen staan tot heden bloot aan ongebreidelde concurrentie. Hierdoor worden ongemotiveerde prijzen betaald, ten koste van andere bedrijfsuitgaven. 2e. Kunstmeststoffen. Deze post komt voor bezuiniging niet in aanmerking. ledere boer weet dat bij geringer uitzaai, de kans op rentabiliteit vermindert. De prijzen der meststoffen worden door trustvorming en onderlinge afspraken op peil gehouden. 3e. Onderhoud van gebouwen en inventaris. Reparatiën aan gebouwen en inventaris, houden als regel gelijken tred met de financieele uitkomsten van de bedrijven. Hoe slechter deze uitkomsten, hoe grooter de strop voor den ambachtsman ten plattelande. 4e. Sociale verzekeringen. Deze zijn inde wet vastgelegd, evenals de te betalen premiën. Door onderlinge verzekering voor ongevallen en ziekten, kon deze premie iets lager zijn, bezuiniging is zeer onbeduidend. Bij aanschaffing van industrieele of stedelijke producten, worden de sociale verzekeringen op den boer verhaald, zoodat deze dubbel drukken. 5e Arbeidsloonen. Dat de post loonen hier inde laatste plaats wordt genoemd, is niet te wijten aan het toeval. De onder I—4 genoemde posten moeten | noodzakelijk worden betaald uit de bedrijfsontvangsten, zonder dat hier van belang-I rijke bezuiniging sprake kan zijn. I Dat gedeelte, dat eventueel zal overblij| ven, zal slechts kunnen worden besteed voor I arbeidsloonen. (Met uitzondering van dat-I gene, wat de ondernemer voor allernoodzakelijkste levensbehoeften voor zijn gezin noodig heeft.) j Dat deze post inde meeste gevallen veel te klein is, blijkt wel uit de ontstellend groote werkloosheid ten plattelande. | Verlaging der productenprijzen eenerzijds en verhooging van loon anderzijds, zullen dan ook een buitengewone funeste uitwerking hebben. ) Ze zal tot gevolg hebben verdere mechaniseering en extensiveering der bedrijven, waaruit weer voortvloeit ontslag van ar; beiders en geringere productie. En dat toch is juist hetgeen waarvoor we moeten waken, j Doel der regeering en doel van lederen producent zij: inschakeling der arbeiders in de bedrijven, waar ze thuis hooren (niet in I de werkverschaffing) en intensieve bewerking van den Nederlandschen bodem, tot zegen van ons platteland en onze geheele Nederlandsche bevolking, j Men verlieze echter nimmer uit het oog, dat een behoorlijke belooning voor den iets deed, ze de verwijtende oogen zou voelen vaneen ander, die alles gaf voor hun beider geluk, die zijn land, familiè en vrienden verliet, terwille van haar om het geluk te zoeken, ergens ver weg inden vreemde, ze zou diens oogen voelen branden in haar ziel met een verterend vuur, die heur hart zou doen breken en ze zou zich grooter misdadiger voelen dan de ergste bandiet .Als ze aan dit alles echter niet dacht, voelde ze veel sympathie voor Van Hagen. Ze vond hem dan zoo’n prachtkerel, die zeker een aardig lief meisje waardwas. Ze vond het eigenlijk zonde, dat iemand als hij ongehuwd zou blijven, dat hij zijn geslacht zou laten uitsterven, een geslacht waarvan ze wist, dat het een heele rij van de eersten en i edelsten van het dorp had voortgebracht. , Zonder deze familie was het dorp niet denk, baar en het wilde er bij haar dan ook niet j in, dat met haar heer en minnaar het ge■ slacht zou eindigen. Zij voelde medelijden | met hem, die de wereld kon veroveren, zooals zij dacht, doch die al zijn zinnen gezet had op haar. Waarom moest dat zoo zijn? j O, als Jan er niet was, dan zou ze duizendmaal dankbaar zijn liefde aanvaard hebben, doch nu ging dat niet, nu niet en nooit. Daarom was haar medelijden zoo groot met hem, die als een andere dolende ridder vaneen droeve figuur onbereikbare windmolens na jaagde. Zij had lang in gepeins naast hem gestaan, terzijde van den weg, waarlangs de eene auto de andere volgde en bus op bus langzaam wegdraaide met een brokje van de groote massa der bezoekers. Het was heerlijk te staan onder het koele bladerdak van den weg en gelaten liet zij een leder aan haar voorbijgaan. Ze schrok er dan ook van, toen Van Hagen haar waarschuwde om nu maar over te steken en te trachten bij hun wagen te komen. Ze volgde hem gewillig, tusschen de krioelende menigte door, het parkeerterrein op, waar al heel wat 1 ruimte gekomen was. Toch was het er nog 1 een oorverdoovend geraas van ronkende en 1 aanslaande motoren, van gasknallen en ' claxongeraas, van geroep en gelach, van I geschreeuw en gezang, i Ze stapten vlug in hun wagen en bijna geruischloos rolde deze weg van het terrein.

– landarbeider slechts kan samengaan met i een behoorlijke belooning voor den land; bouwarbeid in zijn egheel. i Daarom streve men met man en macht, – ook zij die meenen dat ze tot de z.g. buitenstaanders belmoren, voor een eensgezind t platteland. ZEEUWSCHE BOER, : Boekbespreking. ; Leerboek der Landhuishoudkunde, , door Mr. Dr. H. W. C. Bordewijk, hoogleeraar te Groningen. Deel I. Uitgave Erven F. Bohn, Haarlem. Prijs ingen. f 13.—, geb. f 14.50. Men mag het hierbij aangekondigde werk zeker wel het eerste leerboek noemen, dat ' in ons land voor de studie der Landhuis’ houdkunde is geschreven. De schrijver ' hoopt dit eerste spoedig door het tweede deel te laten volgen. Prof. Bordewijk heeft zijn werk opgedra■ gen aan de nagedachtenis van Prof. Ir. S. Koenen, den in 1922 vroegtijdig overleden eerste hoogleeraar inde Landhuishoudkunde te Wageningen. De schrijver wijdt aan die nagedachtenis als vriend in zijn „woord vooraf” enkele gevoelvolle woorden, daarbij zijn dankbaarheid uitsprekende voor het vele, dat hij van Koenen mocht leeren, als.rnede voor de gelegen’-’"^ 'weduwe geschonken, van de voornaamste onuitgegeven geschriften van VCVi. V/ V " leden echtgenoot voor zijn arbeid gebruik te mogen maken. Dit eerste deel bestaat uit drie hoofdstukken. Het eerste bevat inleidende beschouwingen, vooral ten doel hebbende de verhouding aan te geven, waarin de Landhuishoudkunde staat tot de natuurwetenschap' pelijke landbouwvakken eenerzijds en tot ' de algemeene economie anderzijds. Het tweede hoofdstuk houdt zich bezig met de economische grondslagen der Landhuishoudkunde: behoefte en voortbrenging en de productiefactoren arbeid, natuur en kapitaal. Het derde hoofdstuk handelt over den grond en het recht: eigendom, ruilverkaveling, onteigening, lasten op den grond■ eigendom, het erfrecht, erfpacht, opstal, bei klemming alsmede de pacht. Over al deze onderwerpen houdt de schrijver uitvoerige en goed gedocumenteerde be: schouwingen, die blijk geven van groote be-1 lezenheid. Wat verder de bruikbaarheid van het boek zeker in hooge mate bevordert, zijnde zeer ■ uitvoerige registers naar personen en onderwerpen, alsmede een belangrijke literatuurlijst. Het ligt inden aard der zaak, dat een leerboek er zich niet toe leent, den inhoud in het kort samen te vatten en daardoor ook niet tot een bespreking aan de hand van die samenvatting. En op alle onderwerpen in te gaan, die Prof. Bordewijk behandelt, zou deze bespreking veel te lang doen worden. Wij willen ons dan ook alleen bepalen tot het maken van enkele opmerkingen. Inde eerste plaats deze, dat de schrijver door de samenstelling en de publicatie van zijn boek heeft voldaan aan wat men een eisch des tijds zou mogen noemen. Hij wijst ; er op, dat de belangstelling voor agrarische vraagstukken toeneemt. Dit is tot zekere hoogte juist. Het is echter in menig opzicht een gevaarlijke belangstelling. Onder poli- i tieke invloeden ontstaat meer en meer een | , soort Landhuishoudkunde, die er minder op gericht is de verschijnselen te verklaren , dan wel deze te plaatsen ineen licht, dat zij dienstbaar kunnen worden gemaakt aan het belang van de een of andere partij. En met het oog hierop komt het boek van Prof. Bordewijk juist op zijn tijd of misschien reeds te laat. Zoo zou het o.i. aan; beveling verdienen, dat de betrokken mi- i ! 1 nisters en de volksvertegenwoordiging, alvorens tot de verdere behandeling van het , I pachtwet-ontwerp over te gaan, eerst eens . de uitvoerige en belangrijke beschouwingen j 1 | Langzaam ging het over den weg, af en | toe moest men stoppen en teruggedoken in de zachte kussens, zoodat niemand haar j : bijna bemerkte, gleed Lammie voorbij vele , bekenden, die bij het zien van de grijze li- I ■ mousine een vluchtigen blik naar binnen , wierpen. Ze speurde inde oogen van die bekenden booze spot en bittere afgunst en ; i dan sloot ze onwillekeurig even de oogen i voor die hatelijke blikken en wilde zich nog | i kleiner maken inde kussens, die niet meer i konden verbergen. ; De weg werd ruimer, de voetgangers wer- I den schaarscher, men kon sneler voortkoi' men. Het ging nu door de stad, doch voor i een groot hotel stopte Van Hagen, „Zeg, Lammie, ik moet hier eventjes zijn; . een paar oogenblikjes maar. Een paar heeren wilden me nog gaarne overeen en an, der spreken en we hebben afgesproken, dat dat hier zou zijn. Kom, ga maar mee.” „Och, ik kan hier evengoed wachten. Het . duurt ja toch niet lang?” ; „Neen, lang duurt het niet. Maar loop 1 maar even mee naar binnen. Je wilt toch . nog wel een verfrlssching? inde serre, daar . heb je een mooi zitje.” i Lammie liet zich overreden en stapte met i hem het hotel bij de serre-ingang binnen. Er i zaten weinig bezoekers, doch uiteen hoek, i waar twee oude mannen zaten, klonk een welbekende stem: „Hé, zoeken jullie een plaatsje? Wij hebben hier ruimte genoeg.” Werkelijk was Van Hagen aan het uit* kijken naar een mooi plekje voor Lammie, ; maar nu was het zoeken overbodig gewori den. i „Wel, vader, u hier? Wat een verrassing,” : riep Lammie, die aan de stem terstond haar ■ vader herkend had. Ze liep, gevolgd door ; Van Hagen, op de beide mannen af. i „Nou, nou,” zei Grasmeier’s vriend, „ik i mag het wel zien zoo. Ik mag het wel zien.” „Dus,” zei Van Hagen, die meende den , man een antwoord schuldig te zijn, „U ; vondt het spel ook mooi? Maar zoo zal het ! iedereen wel gegaan zijn.” i Lammie had zich naast haar vader gezet, i alleen Van Hagen stond nog. i „Neen,” zei de oude man, „zoo bedoel ik het niet.” Hij wees met zijn hand op Van i Hagen en Lammie en herhaalde, maar met . meer klem: „Zóó mag ik het zien.”

gingen lezen, die de schrijver aan het pachtvraagstuk wijdt. Ongetwijfeld ligt in het boek van Prof. Bordewijk de strekking, landbouw en economie dichter bij elkaar te brengen. Daarmede zou hij aan den landbouw en ook aan de economie een grooten dienst hebben bewezen. Wij hebben het altijd als een groote leemte beschouwd, niet alleen, dat vele voormannen van den landbouw te weinig aandacht ' schonken aan de economische vraagstukken, maar vooral ook, dat de meeste beoefenaren der economische wetenschap hier te lande zich ver hielden van den landbouw en nochtans, waar het de belangen van den landbouw betrof, daarover mee meenden te mogen spreken. Men meende de landbouwproblemen te kunnen begrijpen met de aan de industrieele verhoudingen ontleeende wüsheid. Hiertegen bestaan o.i. twee bezwaren. Het eerste bestaat hierin, dat de beteekenis van j den landbouw een andere is dan die van de industrie. En de tweede hierin, dat er een 1 principieel verschil is tusschen het industrij eele en het agrarische productieproces. Prof. Bordewijk brengt, zij het min of meer terloops, deze beide punten ter sprake. Wat het eerste betreft, wijst hij er zeer terecht op, dat heel de bovenbouw der maatschappij zonder grondstoffen en levensmiddelen nooit zou zijn tot stand gebracht en bij een staking van moeder Aarde op korten termijn zou instorten. Wie dit beseft, zegt hij, voelt, dat de landhuishoudkunde i aan de wortelen raakt van ons aller welzijn. En hij haalt wijlen Prof. Koenen aan, waar die zegt; het is en zal altijd blijven de taak van den landbouw en van de verj zamelnijverheid (mijnwezen), de grondstof. j Van Hagen begreep hem; „Oóh! vind je dat? Ben je er blij mee, man?” | Lammie voelde zich ineens erg warm en wist, dat ze bloosde. I De oude man zag haar aan en lachte: ' „Och, krijg er maar geen kleur van, Lammie. Je past drommels best bij meneer Van j Hagen. Een knap stel, zijn jullie. Als ik Van Hagen was, ik deed net zoo.” | Men maakte van het geval maar een grapje, want Van Hagen begreep, dat op der gelijke loftuitingen Lammie niets gesteld was. „Maar waarom zitten jullie hier eigenlijk?” vroeg Lammie. „Wij moeten op de bus wachten, kind,” zei haar vader. „De bus is al weg met een deel van ons gezelschap en haalt straks ons en nog eenige anderen.” „Dan stel ik voor, dat jullie straks met ons naar huis rijdt,” zei Van Hagen. Hiervan wilde Grasmeier’s vriend heelemaal niets weten, o, daar kon niets van komen. Hij wilde de beide jongelieden hun dag niet bederven. Hij wilde niet als ouwe zondebok achterin zitten. Hij wist het zoover te brengen, dat ook Grasmeier het aanbod afwees. Van Hagen werd nu voor zijn afspraak in beslag genomen en moest zich even verwijderen. Lammie bleef met de beide mannen alleen, doch weldra verwijderden dezen zich, omdat het tijd voor hen werd hun andere wachtende tochtgenooten op te zoeken. Niet lang daarna was ook Van Hagen gereed en reisden hij en Lammie af. XVI. Lammie wist, dat ze verkeerd gedaan had, door zoo in het openbaar met Van Hagen naar het landspel te zijn gegaan. Gebeurde dingen kan men echter niet ongedaan maken en de mond van Jan Publiek laat zich niet snoeren. Het beste, dat men in dergelijke gevallen kan doen, is, om het geklets maar zijn gang te laten gaan en dat men zich maar van den domme houdt. Lammie, die zich eerst ergerde aan al het ongerijmde, dat ze soms te hooren kreeg, had later ook ingezien, dat het ’t beste maar was, zich nergens aan te storen

fen te ontleenen aan de natuur, zonder welke de schitterendst geoutilleerde grootindustrie niets waard zou zijn. Dit alles stemt, naar men ziet, precies overeen met? de door ons telkens op den voorgrond geplaatste stelling, dat de landbouw den grondslag vormt van het geheele economisch leven. Wat het karakter van den landbouw betreft, bevredigt Prof. Bordewijk ons niet ten volle. De landbouwproductie, zegt hij, veronderstelt, gelijk alle productie, de aanwezigheid van de drie productiefactoren) natuur, arbeid en kapitaal, met alleen deza nuance, dat de natuur een zeer prominente rol vervult, die vroegere schrijvers ten onrechte heeft verleid, de landbouwvoortbrenging principieel van alle andere voortbrenging te onderscheiden. Wij staan in dezen meer aan de zijde van wat hij vroegere schrijvers noemt, dan aan die van Prof. Bordewijk. Er is o.i. inderdaad een principieel verschil. Bij de industrie gaat het om het maken der dingen, waarbij arbeid en kapitaal de beslissende rol spelen. Bij den landbouw gaat het om het groeien der dingen, waarbij de beslissende rol wordt gespeeld door de natuur, speciaal door dert bodem. Wij zullen het bij deze bespreking laten en zien met belangstelling uit naar de verschijning van het tweede deel. Alleen willen wij ten slotte nog opmerken, dat dit werk niet geschikt is voor iedereen. Daarvoor is het te wetenschappelijk en voor vele beurzen ook te duur. Intusschen telt onze landbouw personen genoeg, voor wie deze twee bezwaren niet gelden. In hun belangstelling bevelen wij het inzonderheid aan, alsmede in die van de bestuurders van landbouwbibliotheken. en alles maar bij haar koude kleeren langs te laten glijden. Wat de menschen zeiden of dachten van haar, kon haar niets schelen, maar meer had ze te doen met Van Hagen zelf. De attenties en kleine voorkomendheidjes, die hij haar bewees, deden haar begrijpen, dat hij nieuwe moed geput had uit hun gemeenschappelijk bezoek aan het landspel. Zij moest dergelijke beleefdheden van hem wel met een welwillend la,chje of een dankbaren blik uit haar oogen beloonen, wilde ze niet lomp of onbeschoft lijken en juist deze glimlachjes en die blikken versterkten zijn moed en starre hoofdigheid om toch eenmaal te zullen winnen. Lammie ging zelden of' nooit meer uit. Hoogst zelden bezocht zij haar ouders. De beminnelijkheid van haar moeder, nadat ze naar het landspel was geweest, was haar een ergernis, omdat ze wist uit welken grond die beminnelijkheid kwam. Ze had zelfs gemeend aan haar vader te kunnen bespeuren, dat ook deze nieuwe hoop putte uit dien landspeldag en om zich verdere narigheid te besparen, bleef ze liever bij haar ouders weg. Het liefst zat ze op haar eigen kamertje, waar ze zich ongestoord aan stille mijmerij kon overgeven, of waar ze, voor het geopende raam gezeten, kon genieten van de vredige rust der zomeravonden. In die oogenblikken kwam er een innerlijke kalmte over haar en voelde ze een vredige rust in zich en wist ze de gelukkigste uren van haar leven te beleven. Haar gedachten vlogen over de boomen van het boschje, over de nevels inde verte en zoo snel als de vleugelen van het licht waren ze ver, ver weg, daarginder waar iemand, die nooit uit haar hartwas, wellicht dezelfde zon, die zij zag ondergaan, zag opkomen. Ze knikte tot de ondergaande zon een groet, die deze moest overbrengen naar Canada wanneer ze daar straks opkwam. Welilcht keek haar Jan naar diezelfde zon in hetzelfde moment, nu ze daar ginder weer boven de kimme rees, omdat ze hier juist verscholen was gegaan aan de horizon. Dan zocht ze al de brieven op, die ze van hem gekregen had en las ze stuk voor stuk weer over, ofschoon ze de meeste brieven wel al woord voor woord in haar hoofd had. (Wordt vervolgd.)