is toegevoegd aan je favorieten.

De tuinbouw; officieel orgaan van den Nederlandschen Tuinbouwraad, jrg 1, 1913, no 4, 31-01-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als een bewijs dat de Conserven-fabrieken het nog niet zoo slecht gehad hebben in het afgeloopen jaar, wordt mededeeling gedaan van het feit, dat, niettegenstaande spiritus 23 M. in prijs steeg, de suiker 40 % duurder was, dan in normale jaren en sommige vruchtensappen zelfs 100 % meer kostten, eene fabriek, naast 32.500 M. tantième, nog 10% dividend kon geven.

Men was het er algemeen over eens, dat de Duitsche Pomologische Vereeniging op den ingeslagen weg moest voortgaan en de Duitsche ooftkweekers zich ook aan de vastgestelde prijzen moesten houden.

„Het dreigement inzake het betrekken van buitenlandsch fruit en in het bijzonder van Hollandsch besooft, moest men niet als ernstig beschouwen, want, afgescheiden van het patriotisme der Duitsche fabrikanten, zijn zij wel verplicht in hoofdzaak Duitsche producten te verwerken, aangezien in het bijzonder de Duitsche bessen zooveel beter, verscher, saprijker en geuriger zijn dan de buitenlandsche. Ook moet men niet vergeten, dat het buitenlandsche fruit, door het steeds grootere verbruik niet in voldoende hoeveelheden te krijgen is, doch buitendien tengevolge van kosten voor vracht en tusschenhandel niet zoo veel goedkooper is, dan het belangrijk betere Duitsche product.”

De prijzen op bladzijde 6 van „De Tuinbouw” genoemd, werden in deze vergadering vastgesteld. Medegedeeld werd, dat verschillende groote conservenfabrieken reeds voor eenigen tijd contracten hadden gesloten voor de levering van frambozen a 35 Mark per 50 K.G. (21 ct. per pond).

' Ui Voor aardbeien zal als minimumprijs gelden 25 Mark, voor bramen 40 Mark, voor kersen 25 Mark, voor mirabellen 15 Mark en voor Reineclauden 12 Mark per 50 K.G.

Besloten werd, dat deze prijzen slechts gelden voor levering aan conservenfabrieken, maar dat de minimumprijzen voor den groothandel nog nader door de groote fruitteeltbedrijven zullen worden vastgesteld.

Gedurende de „Landwirtschaftliche Woche” zal de Duitsche Pomologische Vereeniging, in Februari, nog eene bijeenkomst van fruitkweekers houden, die de quaestie der minimum-prijzen op nog hechter grondslagen wil regelen en maatregelen wil beramen, om den fruithandel en afzet van het product zekerder en voor de kweekers loonender te maken.

Daarna besprak men nog het vaststellen van minimumprijzen voor de belangrijkste groentesoorten, doch dit zal worden overgelaten aan den Bond van Duitsche groentekweekers.

Ten slotte werden leveringscontracten tusschen fruitkweekers en groot-handelaars besproken en de redactie er van vastgesteld. (Ref.)

Boomkweekerij.

Plantenziektenwet in de Vereenigde Staten.

Naar aanleiding van de verbodsbepalingen tot invoer van Pinus Strobus, Pinus Cembra, Pinus monticola en Pinus Lambertiana, werd in de Vergadering van het Centraal Bestuur, welke Donderdag 23 Januari 1913 te

Utrecht werd gehouden, besloten een onderzoek in te stellen naar de voorraden Pinus Strobus in de Nederlandsche kweekerijen, teneinde zoo noodig tot opruiming van die Pinus-soort te geraken, welke in het bijzonder aan blaasroest lijdt, terwijl de drie andere soorten er hier te lande vrij van zijn; waardoor opheffing van het verbod tot invoer wellicht voor ons mogelijk zou worden.

In verband met dit besluit, doet het ons bijzonder genoegen, hieronder een en ander uit een schrijven van het Hoofd van den Phytopathologischen Dienst te kunnen afdrukken, dat aan verschillende boomkweekers werd gezonden en geheel in den lijn van voormeld besluit ligt:

„Het zal U bekend zijn, dat de invoer van 4 Pinassoorten, n.l. Pinus Strobus, P. Cembra, P. Lambertiana en P. monticola in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika uit ons land verboden is, met de bedoeling om aldus te trachten eene schimmelziekte, de z.g. blaasroest, die in Europa op deze soorten voorkomt, maar in Amerika ontbreekt, of slechts sporadisch aanwezig is, aldaar, zooveel als mogelijk is, te weren. Nu worden in Europa de 4 genoemde soorten door de blaasroost aangetast, maar voor zoover onze ondervinding gaat, lijdt in ons la,nd alleen Pinus Strobus aan deze ziekte, P. Cembra niet. De beide andere soorten komen in onze kuituren zoo goed als niet voor.

Het verbod van invoer in Amerika is nadeelig voor onzen handel, daar vooral Pinus Cembra een gewild exportartikel vormde; en het zou daarom van veel belang zijn, indien de sluiting der Amerikaansche grenzen, althans voor Pinus Cembra, weer te eeniger tijd kon worden opgeheven.”

Daarna wijst Prof. Dr. Ritzema Bos er op, dat door Amerikaansche autoriteiten in ons land een onderzoek zal worden ingesteld naar het voorkomen van de blaasroest en betoogt Z.Hooggel. de groote wenschelijkheid van het verwijderen van Pinus Strobus uit onze kweekerijen en vervolgt dan:

„Daarmede is echter nog niet aan alle eischen voldaan. De blaasroestzwam toch heeft voor hare volledige ontwikkeling twee plantensoorten noodig, die tot geheel verschillende groepen behooren. De zwamsporen, die op de P. Strobus gevormd worden, kunnen de ziekte niet op Pinus-soorten overbrengen; maar zij tasten de bladeren van alle mogelijke Ribes-soorten aan, en vormen daarop ook eene roestziekte. De zwamsporen nu, die op deze Ribes-bladeren gevormd worden, kunnen weer de ziekte naar de bekende Pinus-soorten overbrengen.

Alle Ribes-soorten vormen dus een noodzakelijken schakel in de ontwikkeling van de blaasroestzwam. Daarom moeten wi] onze aandacht óók op de Ribes-soorten vestigen. Bij de a.s. zomerinspecties zal dan ook op de Ribes-soorten in ’t bijzonder gelet worden. In Uw belang raad ik U echter ook aan, dit dezen zomer zelf ook' te doen, en verder zooveel als mogelijk is, de teelt van Ribes-soorten voorloopig in te krimpen. Door de Amerikaansche Autoriteiten zal natuurlijk niet alleen op de aanwezigheid van de ziekte in Pinus-soorten gelet worden, maar zal men stellig ook wel degelijk de Ribessoorten aan een onderzoek onderwerpen, 'daar ook op deze planten de aanwezigheid van de ziekte in die omgeving kan worden geconstateerd.”

Artikelen van algemeene strekking.

Het Arbeidersvraagstuk in den Tuinbouw.

11.

In de rede van den heer Krelage, waaruit we de vorige week een gedeelte aanhaalden, is sprake van „geheel