is toegevoegd aan je favorieten.

De tuinbouw; officieel orgaan van den Nederlandschen Tuinbouwraad, jrg 1, 1913, no 10-11, 14-03-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a. met betrekking tot den arbeid van personen beneden de zestien jaren en van vrouwen, beperkende bepalingen in het leven te roepen;

b. maatregelen voor gezondheid en veiligheid te treffen. De vergadering beantwoordde deze vraag in bevestigenden zin en waardeerde de pogingen, om deze zaak wettelijk te regelen, doch wenschte, dat rekening zal worden gehouden met den gang van het bedrijf en vooral in oogsttijden uitzonderingen zullen worden toegelaten.

Vraag 11. Zal de uitsluiting van landarbeid van kinderen beneden dertien jaren of nog leerplichtig behoudens de nader uit te zonderen soorten van landarbeid --in bepaalde takken van tuinbouw stoornis of wel ernstige moeilijkheden geven?

De vergadering ontkende zulks en vereenigde zich met deze regeling, overtuigd zijnde, dat het in het belang der kinderen is, hen zooveel mogelijk van het schoolonderwijs te doen profiteeren.

Vraag 111. Acht gij het gewenscht, dat bij algemeene maatregel van bestuur kan worden verboden het verrichten van arbeid als bedoeld in Art. 5?

Ook deze vraag beantwoordde de vergadering toestemmend, mits bij het vaststellen dier algemeene maatregelen van bestuur, ook de vaklieden gekend worden; en in casu ook de leden der Maatschappij in de gelegenheid gesteld worden, daaromtrent hun oordeel uit te spreken. Vraag IV. Is de in Art. 6 aangewezen tijd, waarop behoudens de nader te bepalen uitzonderingen – geen landarbeid zal mogen verricht worden, goed gekozen?

Ten opzichte van kinderen had de vergadering tegen deze bepalingen geen bezwaar, maar voor jeugdige personen en vrouwen wenschte mende vrijheid te behouden deze ook vóór vijf uur ’s morgens in het bedrijf te mogen laten werken.

Vraag V. Zijn er bezwaren tegen de verbodsbepalingen, neergelegd in art. 7 sub a. en b.? De vergadering meende, dat in sommige streken en plaatsen de bepalingen van dit artikel in de praktijk moeilijkheden zullen opleveren.

Vraag VI. Hoe is Uwe meening over art. 9? Gewezen werd op de moeilijkheden, die de toepassing van dit artikel in de praktijk kan opleveren, bv. wat aangaat de temperatuur met betrekking tot de komkommer- en trekkassen; en ten opzichte van schadelijke dampen of gassen, wat betreft het gebruik van verschilende insecticiden ter verdelging van allerlei schadelijke insecten en middelen ter bestrijding van ziekten. De vergadering sprak zich echter niet uit tegen dwingende bepalingen, mits deze voorschriften niet vastgesteld worden door het districtshoofd der arbeidsinspectie en de controle daarvan niet wordt opgedragen aan de ambtenaren van de Arbeidswet.

Vraag VIL Is naar uwe meening het toezicht op de naleving eener Landbouw-Arbeidswet als aangegeven in de artt. 15 en 16, geregeld, overeenkomstig de daarbij betrokken belangen?

De vergadering beantwoordde deze vraag ontkennend en sprak nadrukkelijk den wensch uit, dat het toezicht op de naleving dezer voorgestelde Arbeidswet zal geschieden niet door ambtenaren, die van het bedrijf niets weten, maar door deskundige personen; dus mannen die met het vak bekend zijn.

Hiermede was de bespreking van deze gewichtige aangelegenheid ten einde gebracht. De Voorzitter dankte de vergadering voor haar advies, waarmede Z.E. de Minister van Landbouw in kennis zal worden gesteld.

Daarna besprak de heer von Franck, ondervoorzitter van het Hoofdbestuur, het bekende „Onderwijsrapport” der Maatschappij. Spreker ging de geschiedenis na van dat rapport en verdedigde het standpunt der onderwijscommissie, die zich. bij haar arbeid tot taak gesteld had.

niet het invoeren van nieuwigheden, maar het voortbouwen op de gelegde grondslagen en het wegnemen der leemten, die het onderwijs aan onze tuinbouw-wintercursussen aankleven. In de eei'ste plaats komt de praktijk op de cursussen niet voldoende tot haar recht en heerscht er ook geen éénheid in het onderwijs. Beide leemten heeft de onderwijs-commissie trachten aan te vullen en ook aan het voortgezette vakonderwijs heeft zij hare aandacht geschonken, teneinde zoo een afgerond en goed geheel te verkrijgen.

Na de pauze, die op deze inleiding volgde, critiseerde allereerst de heer Steen het onderwijsrapport en verdedigde nader zijne bekende indeeën omtrent het leerlingwezen. Van verschillende zijden werd vervolgens dit rapport nog bestreden en verdedigd. Ten slotte wees de heer van Hoek er op, dat alle sprekers, zoowel vóórals tegenstanders van hét rapport, feitelijk gelijk hebben, want ieder sprak naar eigen ervaring. Het tuinbouwonderwijs is zoo veelzijdig, dat men het bij mozaiekwerk vergelijken kan. Het deed spreker echter genoegen opgemerkt te hebben, hoe algemeen de belangstelling voor het tuinbouwonderwijs is. Men is op den goeden weg en de Regeering zal gaarne haar steun daarbij verleenen.

Deze waardeerende woorden werden door de vergadering met een krachtig applaus begroet.

Punt 8 der Agenda; „Het opsporen en in cultuur brengen van tropische gewassen” werd ingeleid door den heer H. C. Valeton te Hees. Daar deze rede in haar geheel in Be Tuinbouw werd opgenomen, volstaan we met het volgende. Spreker toonde met voorbeelden aan, hoe buitenlandsche firma’s door het opsporen en in cultuur brengen van gewassen, ook uit onze overzeesche bezittingen, groote sommen hebben verdiend, die onze kweekers ten goede hadden kunnen komen, indien men er hier werk van gemaakt had. Daarna zou het oprichten van eene vereeniging of maatschappij, die zich hiermede bezig hield, aanbeveling verdienen. Van verschillende zijden werden bezwaren geopperd tegen het denkbeeld van den inleider, terwijl anderzijds diens voorstel warm werd toegejuicht. Algemeen bleek de vergadering echter veel sympathie voor deze zaak te koesteren en derhalve zal het Hoofdbestuur deze aangelegenheid nog eens nader overwegen en bespreken.

Door den heer J. Bolhuis te Groningen werd vervolgens het een en ander medegedeeld, omtrent het gebruik van glasklokken in den tuinbouw en de voor- en nadeelen daarvan in het licht gesteld. In de groenteteelt zijn deze klokken zeer bruikbaar gebleken; door middel daarvan krijgt men een vervroegde vollegrondscultuur en in dat opzicht zijn ze goedkooper en gemakkelijker dan éénruiters. Dat het gebruik van deze klokken of stolpen reeds op groote schaal plaats heeft, kan blijken uit het feit, dat in 1911 in de provincie Groningen ruim 30000 stuks in gebruik waren.

Het volgende punt: „de plaats van de liefhebbers-leden in onze maatschappij”, werd ingeleid door den heer A. J.van Laren te Amsterdam. Spreker meende, nu de vaklieden in de maatschappij zich afzonderlijk kunnen groepeeren, dat zulks voor de liefhebbers niet meer noodig of gewenscht is. AVel moet de maatschappij trachten meer voor de liefhebbers te doen, door tentoonstellingen, excursies, etc. Anderzijds werd daarentegen juist aangedrongen op nauwere aaneensluiting der liefhebbers in de maatschappij. Nadat hieromtrent nog verschillende opmerkingen gemaakt waren, sloot de Voorzitter

de gedachten wisseling over dit punt. De heer Becking te Arnhem besprak de nadeelen van het veranderen van onze plantennamen in het buitenland en achtte het gewenscht, dat daartegen zooveel mogelijk