is toegevoegd aan je favorieten.

De tuinbouw; officieel orgaan van den Nederlandschen Tuinbouwraad, jrg 3, 1915, no 36, 10-09-1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Swieten Tuinbouwschool; P. Westbroek, Directeur der Gemeente Plantsoenen, den Haag; Mr. J. Hingst en tal van andere dames en heeren.

Toen allen plaats genomen hadden, werd het eerst het woord gevoerd door Mej. Hingst, die een kort geschiedkundig overzicht gaf van het ontstaan en de ontwikkeling der inrichting, waarbij zij gelegenheid had om er op te wijzen van hoeveel belang eenige kennis van den tuinbouw voor de vrouw is en hoe het onderwijs aan de inrichting was en is geregeld. Ook door de vrouw wordt tegenwoordig de economische strijd gestreden en de inrichting wil dan ook wetenschappelijk en practisch onderlegde vrouwen vormen, die in dezen strijd het krachtigst zullen staan. Zij hoopt, dat de stichting in deze richting aan haar doel zal beantwoorden en in vol vertrouwen, dat deze hoop zal worden vervuld, draagt zij haar aan den Raad van Bestuur over.

Hierna nam Dr. H. Bos, de Voorzitter van den Raad van Bestuur het woord, die er op wees hoe de opvattingen betreffende het onderwijs in den tuinbouw aan meisjes zich ook in den loop der jaren hebben gewijzigd. Wonder is dit niet, omdat de vrouw in het bijzonder geschikt is voor allerhande tuinwerk. Vooral voor die vrouwen, wier toekomst op het platteland ligt, zooals toekomstige echtgenoten van veel predikanten, notarissen en doctoren is kennis van het tuinbouwvak, ook voor haar huishouding, van het grootste belang. Laat men zich echter niet voorstellen, dat de leerlingen volleerde practica zullen zijn als zij deze school verlaten, dat is nergens het geval, daar die slechts in de praktijk zelf kunnen gevormd worden. Vervolgens richtte Dr. Bos zich tot de verschillende onderwijskrachten aan de stichting verbonden, tot Mej. H. L. G. de Bruin, leerares in plantkunde en natuurkundige vakken, Mej. C. van Rossem, leerares in bloementeelt, Mej. W. E. Kronenberg, leerares in groententeelt, Mej. A. VVulff, leerares in fruitteelt, den Heer J. Slager, leeraar in groenten- en fruitteelt en den Heer C. de Vries, de tuinbaas, die hier zoo’n belangrijke plaats zal vervullen. In het bijzonder richtte hij zich tot Mej. J. M. Spat, die als Directrice van het internaat een hoogst verantwoordelijke plaats tegenover de ouders der meisjes gaat bekleeden.

Tot slot richtte Dr. Bos zich tot Mej. Hingst, die hij hartelijk dank zegde voor deze vorstelijke dotatie aan den tuinbouw, die van zoo groot belang voor het vak zal blijken te zijn.

De Heer Bleeker, Directeur van de G. A. van Swieten Tuinbouwschool te Frederiks-oord, sprak nu een hartelijk woord om uiting te geven aan zijn groote ingenomenheid met deze stichting, die aan een werkelijke behoefte voldoet. Het tuinbouwvak is van groot belang voor veel meisjes, want tafel, keuken en tuin vormen een afscheidelijk geheel en kennis van den laatsten is noodig om de eersten tot hun recht te doen komen.

Ten slotte sprak de Burgemeester van Rijswijk zijn ingenomenheid er over uit, dat deze zoo belangrijke stichting in zijn gemeente tot stand kwam.

Dr. Bos deelde nu mede, dat berichten waren ingekomen van den Minister van Landbouw, den Directeur-Generaal van den Landbouw en den Seci'etaris van den

Tuinbouwraad, dat zij tot hun leedwezen, door drukke bezigheden, verhinderd waren tegenwoordig te zijn. Hij noodigde daarna allen uit, onder leiding van de leeraressen, de inrichting te bezichtigen.

Velen gaven gaarne aan die uitnoodiging gehoor en konden zich overtuigen van de goede en practische inrichting en de uitnemende wijze, waarop die tot heden was gedreven. Gaarne werd ook gebruik gemaakt van de ververschingen, die door vriendelijke kinderhanden werden aangeboden.

De opening van deze tuinbonwstichting is een gebeurtenis op tuinbouwgebied waaraan zeker niet die aandacht is geschonken, die zij verdient en wel het minst in de tuinbouwwereld zelf.

Nog nooit ofte nimmer is het in het vak voorgekomen, dat een dergelijke vorstelijke gift werd gedaan. Veel beroei'ing wordt er somtijds gemaakt, wanneer deze of gene een in verhouding tot deze dotatie kleine gave aan het vak doet. Hier wordt een geheele, zeer kostbare inrichting tot een nationale stichting gemaakt, het werd gedaan omdat de geefster liefde voelt voor het tuinbouwvak, omdat zij de.overtuiging heeft, dat kennis van dit vak vele jonge meisjes ten zegen kan zijn. Zonder veel ophef of uiterlijk vertoon droeg Mej. Hingst deze inrichting, door haar zelf gesticht en een groot deel van haar levensdoel bevattende, aan het vak, dat zij liefheeft, over.

Moge de beoefenaars van dit vak deze edele gave op haar werkelijke waarde weten te schatten en de edele geefster in den toenemenden bloei van het Huis te Lande een belooning vinden voor haar grootsche daad.

E. Th. W.

Bóomkweekerij.

De uitvoer naar overzeesche landen.

De uitvoer van boomkweekerij-artikelen en planten naar overzeesche landen dreigde in hooge mate bemoeilijkt, zoo niet geheel ónmogelijk gemaakt te worden door de wijze, waarop het slechts mogelijk was, zich, voor de te verzenden partijen, het, in verband met de internationale verhoudingen, vereischte certificaat van oorsprong te verschaffen.

Reeds dit voorjaar vestigden de Heeren Koster en Ruijs de aandacht van het Centraal Bestuur op deze aangelegenheid, tengevolge waarvan meerdere besprekingen met het Departement van Financiën en de Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij werden gehouden, die ten slotte tof een alleszins bevredigend resultaat hebben geleid, want de door den Minister van Financiën, ten aanzien van den overzeeschen uit voer van boomkweekerijartikelen en planten getroffen regeling, welke voorloopig slechts geldt voor Boskoop, Aalsmeer, Naarden-Bussum en Oudenbosch, komt volkomen te gemoet aan de vroeger geuite bezwaren en bekort op doeltreffende wijze den weg, die tot verkrijging van het bedoelde certificaat van oorsprong leidt.

In breede trekken komt deze regeling hier op neer:

De boomkweekers-exporteurs, die voor deze regeling in aanmerking wenschen te komen, moeten eene verklaring onderteekenen, die zij vóór den aanvang van