is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1853, 1853

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan keek jufvrouw Ilopkie ook telkens op. Dat was een eer voor die stoel. Maar die eenzaamheid werd toch een weinig verzacht. De stoelen maakten zich het niet-huisziltend maar huis-«toanrf leven zoo aangenaam als maar een stoelenleven al zoo zijn kan. En wel door vriendelijken en gezelligen kout. «Wat was die dominé dik en zwaar die gisteren op mijn horst ging zitten,” zei één stoel «ik ben bepaald van plan om in een te zakken als hij het weêr probeert, wel foei, is dat een zwaarte, ik weet wel, men moet de dingen zoo zwaar niet tellen in het leven, maar zoo’n dominé is toch zwaar, hoor! zoo als ik zeg, bij een tweede keer blijf ik niet staan” (maar ach de arme stoel wist niet, dat als zij wel voor goed wilde breken onder de zware last die haar drukte, dat haar leven dan zoo taai was, dat er dan dadelijk een kastenmaker zou komen om haar weêr hij elkaar te lappen, en dat zij dan van nieuws af aan zou moeten dragen, dragen, altijd dragen, hoe zwaar de last ook was, en hoe graag zij wel voor goed had willen breken. Zij w'ist het niet, en wij, met onze lasten, wij weten het evenmin). «Ajukkes” zei een andere stoel, «wat heeft die burgerman van gisteren me geknepen. Wat was die man mager, brood mager; hij zat op het uiterste puntje van mijn ligchaam. Waarom ging die man niet heelemaal op me zitten, zoo als ieder fatsoenlijk man doet, dat is me veel makkelijker. Wel foei, is dat knijpen.