is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1853, 1853

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als hij liet weêr doet, neem ik oen klein wippertje dat hij daar af vliegt. Hij zit toch zoo op het uiterste puntje, en hij is toch zoo dun en ligt. (Maar de arme stoel wist niet dat zij geen wippertje kon nemen, want dat haar beenen zoo stijf waren vastgemaakt aan haar lichaam, en dat zij eigenlijk in het geheel zich niet bewegen, en veel minder springen kon. En ofschoon die man zoo dun en ligt was, moest zij zich toch maar laten knijpen, knijpen, altijd knijpen. Dat wist zij niet, en wij met onze ligte lasten, die toch zoo zeer doen, wij weten het evenmin).

«Wel verschrikkelijk,” zei een derde stoel, «wat was die geleerde lastig. Hij liet me den heelen tijd op mijn achterste beenen staan, alsof een stoel niet bestemd was op vier beenen te staan. Ik begrijp nog niet hoe ik mijn balans heb gehouden, maar het was ook een kunststuk. Ik kreeg er bepaald pleisier in om zoo eens te halanceeren, maar ik herhaal; het was moeijelijk, want de poes kwam daarenboven nog aan mijn beenen krabbelen, en toen kreeg ik zoo’n kriebel. Het was een kunststuk.” (Maar de ijdele stoel wist niet dat de geleerde met zijn duimen op en zijn vier vingers onder de rand van de tafel, zich vasthield, en dat dus de geleerde haar eigenlijk had doen halanceeren. Eu hoe grootsch hij er ook op was, hij wist het toch niet dat een ander haar vast hield, en wij met onze kuststukjes en ons halanceeren, wij weten het evenmin). En zoo redeneerden de stoelen met elkander;