is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1854, 1854

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O lieve! welke zaal’ge stonden

Verleent die stilte aan ons gemoed,

Als staam’lend wij elkaar verkonden

De liefde, die ons harte voedt.

Als geen geluid ons heil kan storen

En niemands oog ons saam bespiedt,

O deed toch nooit het uur zich hoeren,

Dat wreed het scheiden ons gebiedt.

De tijd is echter niet te teug’len.

Hij is voorbij, nog eer men ’t weet,

Hij vliegt daarheen met arendsvleug'len

En spot en lacht slechts met ons leed.

Maar, voor ’k mij aan uw zij’ ontrukke

Dat 'k eens nog u in de armen knel.

Dat ’k eens nog u aan ’t harte drukke,

Nog éénen kus, en dan vaarwel!

Slaap zacht en droom van al de weelde

Die ons ’t gekoos der liefde bood,

Hoe ’k met uw donkre haarlok speelde

En bevend u in de armen sloot.

Hoe ’t jeugdig bloed met sneller slagen

Mij door de kloppende ad’ren vloeit.

En hoorbaar mij het hart doet jagen

Van liefdedorst, die mij ontgloeit.