is toegevoegd aan je favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1855, 1855

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En sclioonheid; zag door zwijmelvreiigd

En zingenot zich steeds omringen;

Zij zag den adel zich verdringen,

Om ’t eerst zijn hulde haar te biên;

Zij had de bloem der jongelingen

Vol geestdrift aan haar zij gezien;

Waar zij verscheen, woei allerwegen

Een wierookgeur haar lieflijk tegen,

En menigeen deed aan haar kniên

Haar deze schoone vleitaal hooren :

»Mogt mijne liefde uw hart bekooren,

«Woudt gij mij eeuwig toebehooren,

t Dan waar’ mij ’t zaligst lot beschoren ,

«Dan zoudt gij niemand zaal’ger zien!”

Had zij die roepstem willen volgen,

Die zoo verleidend had gelokt,

Dan was zij later niet geschokt

Door zware stormen, zoo verbolgen ,

Waardoor haar nog zoo jeugdig hoofd

Van al die lauw’ren werd beroofd,

En gij haar thans zoo eenzaam ziet;

Maar zij vergat haar’ Willem niet.

Gelijk een bloem, die in den gloed

Der morgenzon haar’ kelk ontplooit,

Des nachts met dropp’len daauw bestrooid,

Met diamanten nu getooid,