is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1863, 1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den vloed. Een’ der booten welke zich (naar het scheen) vlak voor mij op de baren bevond werd omver geworpen. Een man die een oostersch wapen, een’piek naar ik mij herinner, krampachtig omvatte, stortte achterover in de golven ter neder, en de boot die hij had getracht te besturen dreigde omver te storten Hemel! kon het waaar zijn 1 Het was eümelias. „Zie en verstom .” sprak voetids. „Op hem” (zoo sprak Minerva) „zal ik mijn waspot werpen dat hij sterve door de pen.” En waarlijk in zijne borst meende ik het doodaanbrengende werktuig te zien. „Arme eümelias ,” riep ik uit, en eene menigte stemmen van achter den burg herhaalden mijne woorden medelijdend arme BüMELiAS.” Toen meende ik dat mijne leden van elkander getrokken werden. Het gebulder nam meer en meer toe. En o! verpletterend schouwspel, ik ontwaarde Thor! Met de vaan van het praktische nut gewapend drong hij tot den burg door, na zijne vijanden verpletterd te hebben. Eene menigte Dii minorum gentium volgden, toteindelijk de geheele drom met een’ vreesselijke schok voor den trajectus ophield Nu was dan de stonde van beslissing daar. Met open mond en te berge gerezen hairen en sidderende over mijn geheele ligchaam, wachtte ik af wat mijne dierbare Alma Mater te wachten stond. Een der bewakers van eene tinne meer naar achteren gelegen, wierp zijn’baret toga en bef af. En zelfs de overige kleederen dij zijne naaktheid verborgen. „Wat moet dat beteekenen

M.

8