is toegevoegd aan je favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1865, 1865

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Genoeg’lijk slijten! Dan en ongestoord

Ging ’t zoo met luchtkasteeleu bouwen voort.

En ik wanneer ik dus mijn oor mogt leenen

Aan hun gepraat, dat vaak een lange poos

Kon duren o hoe vloog de tijd dan henen

Voor mij ; ik was student en zorgeloos!

En dat dat enden moest! .

O! schoon er over

Mijn hoofd iets scheen gekomen, dat moest zijn

Als nevel op den held’ren zonneschijn,

Als stikdamp tusschen frisch en jeugdig lover,

Schoon ’t lieve geld, zooals het vroeger lilag,

Mijn’ beurs niet meer voortdurend dag aan dag

Met ’skouings welgelijkend beeld vervulde.

Schoon wel een barsch, onvriend’lijk klinkend woord

Uit ouders mond door mij somtijds gehoord,

De schrikb’re waarheid me eenigzins onthulde,

Toch bad ik, dwaze! lang nog niet vermoed.

Wat boven mijn arm hoofd werd uitgebroed!

Alleen als na een dringend huiswaarts schrijven

Om geld te vragen, steeds mijn vader zweeg.

Tot ’keiud’lijk het lakonisch antwoord kreeg;

ulk wil niet dat ge in Utrecht meer zult blijven

Toen, bliksemsnel, was ’k uit mijn droom ontwaakt;

Ik' wist, dat reeds de sjees was klaar gemaakt.

En wat. wat was de reden, dat ik sjeesde?

Was het een beer van sterkendrauk en wijn.

Die ’s vaders hart zoo plots vertoornd deed zijn

Omdat hij zeer voor mijn’ gezondheid vreesde?