is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1867, 1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De groentijd is zijn feest, de donderlol zijn Eden,

Zijn kast w'ordt als de pest met angstig hart gemeden.

Door menig langen groen met ijzerharden kop.

En zoo er soms een waagt zijn woord te wederstreven,

Zijn basstem temt hem wel, zijn blikken doen hem beven,

En helpt ook dit nog niet, hij slaat er dapper op.

Hoe menig volle flesch moest voor zijn moed bezwijken,

Hoe meen'ge groote hans moest van de steentjes wijken,

Hoe krachtig klinkt zijn vloek, hoe donderend zijn taal.

Wanneer hij ’s nachts vol wijn of punsch naar huis toe zwabbert,

Krijgt elk,die hem weerstreeft,een schoon geklopte tabbert.

En slechts zijn aanblik maakt de roodste wangen vaal.

Zoo rolt zijn leven heen in strijd en in gevaren,

Maar zijn kloekmoedig hart telt wonden noch bezwaren.

Hij staat wat ook gebeur’ vast als een eik in ’t woud,

Bij ’t woelen van den kamp, bij ’t vliegen van de steenen.

Vreest hij voor bult noch schram, noch blaauwgeschopte schenen ,

Maar strijdt met leeuwenmoed tot hij het veld behoudt.

Wie zal van zulk een man dan niet met eerbied zingen.

Om dit verwijfd geslacht een’ laauwer af te dwingen ,

Voor hem, die zulk een hart in ’t forsche ligchaam draagt.

Wie, die maar dichten kan, zal zijnen naam niet prijzen.

Als t wonder onzes tijds op zulk een’ dapp’ren wijzen ?

Ik zal het zeker niet, zoo gij mijïb meening vraagt.

W. M.