Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ABDIJ VAN PRUME

in hare betrekking tot de stad Arnhem.

De Benedictijner abdij, in het hoofd dezer genoemd, op gelijken afstand tusschen Trier en Aken aan de bronnen der Prume, eene der vertakkingen van de Moezel, in het bisdom Trier gelegen, in oorkonden van het jaar 720 reeds vermeld, had van oudsher aanmerkelijke bezittingen in ons vaderland. Een register, door L. A. J. W. baron Sloet op het jaar 893 gesteld, noemt o. a. goederen in Teisterband, te Oldenzaal, te Wamel en Dreumel, te Voorst en ook te Arnhem, waar de kerk haar jaarlijks een pond moest opbrengen. Of toen reeds het patronaat over de Sint Marten te Arnhem hier mede verbonden was, bleek ons niet; doch later bezat de abdij dat recht en gebruikte het veelal, om een harer monniken den herderstaf van Arnhem in handen te geven. Straks werd de kerspelkerk van Sint Marten geheel en al bij de abdij ingelijfd. Ofschoon ’s Pauzen bevestiging deze inlijving bekrachtigde, ontstond er later toch geschil over de wettigheid daarvan, omdat list de waarheid zou hebben verborgen of bedrog zich van de leugen zou hebben bediend.

Wat wij over deze zaak in het archief der stad Arnhem mochten aantreffen, deelen wij hier mede, voorafgegaan door een Pauselijk schrijven van 1133, dat gemelde abdij in hare rechten en voorrechten bevestigt, en vergezeld van eene acte waarbij de abt van Prume aan de

Sluiten