Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gevolgen hiervan te weren, sloot de hertog van Boergondie op den laatsten derzelfde maand eene overeenkomst met hisschop Roelof, waarbij de uitoefening der geestelijke rechtsmacht van den ütrechtschen kerkvoogd in Holland, Zeeland en Friesland werd geregeld. (Gr. Charterb. IV, bl. 1029).

Hoe onwettig Walravens keus ook bleek te zijn, toch schonk de aartsbisschop van Keulen zijne goedkeuring er aan en bevestigde de heillooze daad. (Dodt, Archief I, 11, hl. 64 en Groot Charterboek, IV, n®. 1056). Toen paus Eugenius dit vernam, wees hij den aartsbisschop ernstig daarover terecht en noemt den elect „nohilem virum Walravum de Morse, fratrem tuum, non in ordinihus sacris constitutum seque in actis hellicis et aliis laicalihus officiis exercentem. (Eccard, Corpus Hist. Medii Aevi 11, kolom 1325).

Walraven vestigde zich te Dordrecht en „woonde in ’t hooghe huys, zijnde het eerste aen de slinker zijde, „als men achter ’t groot choor uyt de groote kercke komt.” (Gouthoeven, Oude Chronycke ende Historiën van Holland, I, hl. 456).

Straks toog de elect, die Utrecht voor zich gesloten vond, naar Basel en maakte zijne zaak voor het Concilie aanhangig. Bisschep Roelof werd in persoon voorgedaagd, die in zoover daaraan voldeed dat hij zijn zaakgelastigde zond, gesteund onder anderen door een schrijven van de geestelijkheid, ridderschap en steden van Utrecht. (Gr. Charterb., IV, hl. 1045).

Intusschen bevestigde Philips van Boergondie op 12 Juni 1434 de geestelijke rechtsmacht van hisschop Roelof over ’s graven landen, (v. Limburg-Brouwer, Borgoensche Charters, hl. 22).

In weerwil hiervan richtten de provisoren en dekens

Sluiten