Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ledig wordt vermeld, zullen wij hier slechts aanstippen, doch van het overige de hoofdzaak mededeelen.

Den Juni 1612, laat de prelaat te Maarsbergen een onderzoek instellen (n“. 29).

Hierop zal gevolgd zijn zooals uit latere stukken op te maken is de terugroeping van den proost door den prelaat, terwijl den pachters bevolen werd, niet meer aan den proost de pachtsom te betalen.

13—16 Nov. 1612. De proost dient bij den Hove van Utrecht een rekwest in, ten einde de pachters te dwingen, aan hem, en niet aan den prelaat, de pachtsom te betalen. De dagvaarding daarop gevolgd (n°. 30).

30 Jan. 1613. Brief van zekeren Peter van Millinghen, namens zijn schoonvader vermoedelijk den procureur Jan Smeets te Utrecht aan den prelaat. Daar deze de zaak voor zijne pachters opnam, zou dit nu een proces worden tusschen den proost en zijn overste (n“. 31).

Omstreeks Jan. of Febr. 1613. Brief waarin de prelaat den proost eene echt vaderlijke vermaning geeft. Dat ze niet zonder uitwerking bleef, is uit de verdere stukken op te maken (n”. 32).

14 Maart. De prelaat machtigt den pastoor van Bokhoven, om met den proost eene minnelijke schikking te bewerken.

Den 22®’®° Maart geschiedt diensvolgens een eerste „concept van accoorde”, hetwelk door den prelaat den Qden April wordt goedgekeurd.

Omtrent 15 April wordt de pastoor opnieuw gemachtigd , om eene formeele overeenkomst te sluiten, blijkens den brief (n®. 33).

Den April geschiedt zulke overeenkomst (n®. 34).

Den 22“*®° April wordt een inventaris opgemaakt

Sluiten