Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geestelijken van kathedraal- en collegiaalkerken kracht van wet verkreeg. Wanneer dus de H. Frederik, wat sommigen willen, niet vóór 825 den stoel van Utrecht beklom, is het zeer waarschijnlijk, dat hij eenigejaren den regel van Chrodegang naleefde.

Vervolgens rijst de vraag, welke stoffen het onderwijs onzer oudste school omvatte, en welke de methode was, waarnaar zij gegeven werden. Mettegeustaande men hieromtrent weinig heeft opgeteekend, is ons toch een en ander bekend, waaruit wij met voldoende zekerheid opmaken, dat stoffen en leermethode de gewone en algemeen verbreide waren. Of zouden Willebrord, Bonifatius, en Ludger niet herwaarts hebben overgebracht , wat zij te Eippon, te Nhuts-celle en te York geleerd hadden? Wat kon de drie uitmuntende mannen verhinderen, datgene te Utrecht in praktijk te brengen, waaraan zij zei ven hun heilige roeping en meer dan gewone geleerdheid te danken hadden? Wij mogen ons derhalve overtuigd houden, dat de staat des onderrichts te Utrecht dezelfde was, als in de kapittel- en kloosterscholen elders.

Den tijd en de wijze, waarop het onderricht gegeven werd, kan men afleiden uit hetgeen Ludger schrijft over zijn leermeester Gregorius: „Schier geen dag ging voorbij, zoo lezen wij, of reeds in den vroegen morgen was hij neergezeten, om met vaderlijke bezorgdheid op ieders vragen te antwoorden, om aan elk in het bijzonder den beker des levens te reiken.”

*) Vgl. Cup. Gom. praev. Acta SS. 1. c. p. 455.

*) Vgl. Palis, Disquis. de Liudgero, p. 34 ss. Over den oorsprong en de ontwikkeling der scholen en seminariën in de Westersche Kerk, vgl. p. 29 ss.

3) Acta SS. ad d. 25 August. 1. c.

Sluiten