Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Friesland. Schieringers en Vetkoopers stormden met ontrolde banier op elkaar los; maar ook menige persoonlijke vete mengde zich den strijd. Kauwerderhem, dat als de ring is waardoor Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden aan elkander hangen, werd gedurig het worstelperk der wilde krijgers, en Irnsum bloedde uit tallooze wonden. Eeeds in 1422 getuigt Peter van Thabor'): „doe wort Rauwert, Roerdahuusem ende Yrnsum verstoert ende verdorven.” Doch vooral moest laatstgemeld dorp het ontgelden in den Doyngha-krijg van 1458—63. De drie stinsen hierboven gemeld, werden telkens veroverd en verwoest, dan in der ijl weer opgebouwd, om straks op nieuw te worden omver geworpen. Het vlakke land werd onophoudelijk afgestroopt en plat gebrand. Hadden de Doyngha’s nu de overhand, straks „worp dat rat van avonturen” zich om, en begunstigde Janeke Douma met de zijnen. De wateren der Borne schrikten op van het wilde gekletter der wapenen en voerden menigen drenkeling met zich voort. De Irnsummer zijl zag in 1459, het Aalsummer klooster in 1463 de partijen met woest getier op elkander instormen. *)

Hierboven hebben wij, in strijd met Schotanus en van Heussen, gezegd, dat de kerk van Irnsum onder de hoede stond van den H. Mauritius; het hewijs hiervoor, dat we nog schuldig zijn, levert ons de volgende oorkonde.

'J Historie van Vriesland, bl. 10.

2) Zie Peter van Thabor, Historie van Vriesland, bl. 16—21. Worp van Thabor, Kronyk van Friesland, bl. 104—111. en Daem Fockeraa, Schetsen van de Friesche Geschiedenis, 111. bl. 562—66.

Sluiten