Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den eersten pastoor geboekt op 15 Octob. 1696. ')

AJs straks het jaar 1701 aanbrak onderteekende pastoor Foek met zooveel andere geestelijken in Friesland en elders het bekende request dat ten gunste van den

') In dit Archief, II bl. 157) werd de komst van Warrega’s eersten pastoor Petrus van Eist op het jaar 1690 gesteld; doch dit is eene feil, begaan op gezag van de Naamlijst der R. K. Dekens, Pastoren {enz.) in de Dekenaten van het Aartsbisd. Utrecht, waar telkenjare wordt beweerd dat de statie Warrega is «opgrigt in 1690». Dit kan echter niet worden verdedigd: vooreerst omdat Andr. Thiara in zijne bovengemelde Historia Stationum ecclestasticarum. ... db anno 1568—1696 van eene statie Warrega geen melding maakt, integendeel onder Irnsum te kennen geeft dat in 1695 vorengemelde drie dorpen nog tot laatstgenoemde statie behoorden. Voeg daarbij, dat het Irnsummer doopboek die zelfde dorpen nog immer blijft vermelden, tot 19 August. 1696 toe, ja zelfs op 18 Octob. 1696 nog een doopeling uit Wartena heeft, terwijl het sedert dien van gezegde drie dorpen niet meer gewaagt. Hoe de laatstgemelde datum verzoend moet worden met den eersten uit het Warregaster doopboek, blijft nog een geheim. Zou de jeugdige Petr. v. Eist. in 1696 de rondreis door Friesland in het geleide van den Apostol. Vicaris hebben medegemaakt, ter plaatse zelf tot pastoor van Warrega zijn benoemd en door het doopen van een kind aanstonds in bediening zijn getreden, om wat later eerst voor goed zijne taak te aanvaarden? Zoo kon de Irnsummer pastoor het doopsel van 18 October nog op zijn oude rechten toedienen. Maar ’t zou evengoed kunnen zijn dat de scheiding na 18 October plaats had en dat pastoor Hermsen van Warrega, die een halve eeuw later de verzamelde doopcedels van zijn oudsten voorganger te boek bracht in den datum van 15 Octob. zich heeft vergist. Want hij dwaalt ook in den naam van zijn tweeden voorganger, door hem op van Heussens voorbeeld met den naam «van Houtem bestempeld , schoon het gewis «van Holtv moet zijn, blijkens de opgave van Frieslands Aartspriester (dit Archief I bl. 90 en 315), van den apostol. vicaris van Bijlevelt (Haarlems Bijdragen II bl. 354) en van den provicaris de Gock, wiens secretaris van Holt eens was. (Missio Foederati Belgii, bl. 58, 69, 96). De lijst van Warrega’s pastoors geven we in het kort onder bijlage C.

Sluiten