Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Helaas”, zoo klagen de vaders op het Mentzer Concilie, „helaas, wie zou niet met vochtige oogen de rampen van ons volk en der Heiligen optellen ? Bisschoppen, priesters en andere kerkelijken zijn met het zwaard geslacht, en door verschillende soorten van pijniging ter dood gebracht; menschen zonder onderscheid van geslacht of leeftijd door vuur, door staal, op onderscheidene wijzen omgekomen. De kloosterlingen, zoo monniken als nonnen, het gevaar der verwoesting vreezende, dwalen angstig her- en derwaarts rond, en van allen troost verstoken, weten zij niet wat te doen of waarheen hun toevlucht te nemen, daar zij omzwerven zonder herder”

Toen er niets meer te moorden en te martelen was, werden de gedenkteekenen van godsdienst en beschaving vernield, de kerken van St. Salvator en St. Maarten, de voortreffelijke en heerlijke woningen van Gods dienaren in brand gestoken en geheel vernield; de altaren in puin begraven en vertrapt; de kostbare en bewonderenswaardige versierselen van Gods kerken geroofd en verbrand. Muren, poorten en torens werden met den grond gelijk gemaakt Aldus lag de burcht en de stad Utrecht verwoest, troosteloos en verlaten, terwijl Bisschep Hunger met sommigen der zijnen naar Lotharius II in het Luxemburgsche moest vluchten, waar deze hem in den aanvang des jaars 858 het klooster van St. Pieter of St. Odiliënberg schonk.

') Zie bij Hofdijk (Het Nederl. Volk bl. 98).

Vgl. hierover Arend t. a. p. I bl. 407; Beka p. 28; Heda p. 54 , 57; Ghron., Traj. p. 319; Chron. Tiel. p. 44. V. Mieris Charterboek v. Holl. I bl. 15.

3) Beka (t. a. p. p. 29) plaatst zijn dood in 866, maar weet niet, waar hij begraven is.

Sluiten