Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vandaar, zegt de levensbeschrijver dat hij hymnen en lofreden vervaardigde, om deze te zingen en voor te dragen op de feesten zijner teerbeminde Heiligen.” Hetzelfde kunnen wij, op grond van Radbouds geschriften, na omtrent duizend jaren nog getuigen. Want van de veertien stukken uit zijne pen gevloeid en ons tot heden bewaard, verkondigen elf den lof der uitverkorenen. Aan de verheerlijking van Gods vrienden besteedde hij den tijd, dien de zware bisschoppelijke taak hem overliet, wel overtuigd, dat ook deze arbeid hoogst verdienstelijk was voor de bevestiging der ütrechtsche kerk. Jezus Christus heeft gezegd: „Wat gij den geringste der mijnen gedaan hebt, dat hebt gij aan mij gedaan.” Hoeveel zegen moest er dan niet rusten op hetgeen de H. Radboud deed, niet aan de geringsten des Heeren, maar aan zijne innig geliefde vrienden? Daarom waren de geschriften des H. bisschops kostbaar in de oogen zijns Meesters. Op gouden schalen werden zij door de engelen opwaarts gedragen tot voor Gods troon, en wederkeerig stroomden rijke zegeningen neder over het zwaarbeproefde vaderland.

Om deze redenen mogen wij den lezer niet weerhouden een vluchtigen blik te werpen op de letterkundige werken van bisschop Radboud, die den storm des tijds hebben doorstaan, en „zoovele getuigen zijn van den rijken schat, die in dien storm werd verzwolgen.”

Van de leerreden des Heiligen zijn er wellicht maar vier tot ons gekomen; zij zijn van homiletischen aard en verraden Radbouds dichterlijken aanleg. Alleen de

') Migne, Tom. 132. col. 543.

Sluiten