Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

priesters, Eliolf en Rotguit genaamd, naar Deventer. Radboud las de H. Mis. Terwijl nu door den subdiaken de epistel gezongen werd, riep hij de twee priesters tot zich en sprak: „Ik zal niet lang meer op deze aarde leven. Hebt dan eerbied voor den jongen Balderik. Want als ik over drie jaar en zes maanden zal zijn heengegaan, zal hij zonder twijfel dezen zetel innemen”. Ten zeerste verwonderd over deze voorspelling stonden Eliolf en Rotguit als aan den grond genageld.

Een jaar daarna Balderik Benno en Saxo, twee klerken van zijn grafelijk gebied, tot Radboud, opdat deze hun de ïï. priesterwijding zou toedienen. De Heilige echter blij en opgeruimd, gelijk hij altijd placht te wezen, antwoordde glimlachend; „Wil niet tevergeefs aandringen. Hetgeen gij thans van mij vraagt, zult gij zelf eens verrichten; niet door mijne handen, maar door de uwe zullen deze over twee jaar en zes maanden gewijd worden”. Diep geroerd en bevreesd begon de jongeling te weenen. Radboud zijn jongen vriend in de uiterste droefheid ziende troostte hem en zeide: „Wees niet bezorgd, mijn vriend, en geef uw edelmoedig hart niet over aan vrees en angst. Nu is de kerk van Utrecht arm en machteloos °); maar

») «Diligenter ergo honorem habelofe huic juveni Balderico. Ego enim post annos tres et mensas sax hic e vita abiturus sum, et hic sine dubio obtinebit sedem meam». Tom. 132 col. 544.

Waarschijnlijk gedurende de quatertemperdagen; want reeds Gelasius 1 (epist 14 c. df) en Leo M. {episi. 6 c. 6) schreven voor , dat alleen op de Zondagen en de quatertemperdagen mocht gewijd worden. Cf. Gelas. I Epist. fragm. a. Gelasius cleroT, etc. Migne P. L. Tom. 59, col. dO2; Leo M. Epist. Migne P. L. Tom. 54 col. 920 ss. Cf. Epist 9, cap. 1.

®) Zij was immers door de Noormannen verwoest en bezet, daarenboven van liaar bisschep beroofd.

Sluiten