Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijds gebruikelijke beiligverklaring door den bisschep. Het gebeente der Heiligen werd nit bet graf genomen en in de kerk op den beganen grond geplaatst en alzoo aan de vereering der geloovigen voorgesteld.” Had de voorspraak des Heiligen gedurende zijn leven veel vermocht bij God den Heer, deze kracht was na zijn dood niet verminderd. Hij rustte te Deventer als de weldoener der behoeftigen. Vele wonderbare genezingen en andere teekenen werden door zijne tnsschenkomst verkregen. Wie aan het graf van Gods dienaar zijn ootmoedig gebed opzond, ging nimmer ongetroost van daar.

Het kon derhalve niet uitblijven, of de roem des H. Radboud moest zich verspreiden, zijn lof moest verkondigd worden zoo binnen als buiten de grenzen der ütrechtsche Kerk. In de „Aanteekeningen op het Martelaarsboek van üsnardns vinden we twaalf verschillende Martyrologia, die op den 29 November, den feestdag des Heiligen, zijn naam met groeten lof vermelden. De geschiedschrijvers noemen hem „nitmnn-

‘) Beka, Chron. p. 33: requiescit apud Daventriam, übi tanti confessoris intercessione Deus indigentibus beneficia largitur et frequenter multa miracula cum virtutibus operatur.»

Heda, Catalog. etc.: «Ad cujus sepulchrun confugientes fiunt compotes votorum.»

Trithemius bij Heda, p. 72: «multis et vivus et mortuus miraculis coruscavit.»

2) Auctuaria Vsuardi, Migne, Tom. 124, col. 747 ss.:

Tornacence. «Natale sancti Radbodonis, Trajectensis Episcopi.» Autwerp. Max. Ultraject. Leydens. Lovaniens. «Eodem die sancti Radbodi episcopi et confessoris.»

Matric. Carth. Ultraj. «Radbodi Episcopi Trajectensis, cujus corpus Daventriae requiescit in Ecclesia sancti Lebuini.»

Lubec. Col. «Daventria Natale sancti Radbodi Episcopi Trajectensis inferioris et confessoris.»

Sluiten