Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in een klooster geweest: voor het eerste bestaat geen enkel afdoend bewijs; dus gebiedt de gezonde rede, bet laatste te aanvaarden.

Wij beweren echter alleen, dat Ansfried vóór zijne verkiezing nooit voor goed hei kloosterleven heeft omhelsd, en geenszins, dat bij vóór den dood der H. Hereswit niet voornemens is zich aan bet gewoel der wereld te onttrekken. De stichting toch der abdij van Tborn had ten doel, de H. Hereswit en bare dochter Benedicta te plaatsen onder den regel der gehoorzaamheid. Door de verdachte oorkonde wordt dit rechtstreeks uitgesproken, en steunt, naar onze meening, gewis op een vroegeren brief van ongeveer denzelfden inbond. Ook Thietmar schijnt van gevoelen te zijn, dat de H. Hereswit te Tborn haar blijvende woonstede had en zegt: „Intusscben werd Hereswit op een barer landgoederen, Gilze genaamd, zeer ongesteld; en alsof zij den naderenden dood voorzag, spoedde zij naar de abdij van Tborn” ’). Wij voegen er op gezag van genoemden schrijver bij, dat Ansfried zijn ecbtgenoote begroef in de crypt der abdijkerk. Men kan hieruit besluiten, dat Hereswit, badde de dood de volvoering barer plannen niet verhinderd, zich onverdeeld aan God zou hebben toegewijd. Zeker ware Ansfried dan niet alleen in de wereld gebleven. Want zijne neiging voor bet ingetogen leven uitte zich voortdurend tijdens het grafelijk bestuur, zoodat bij om zijn monnikenleven bespot werd Terstond na den dood van Hereswit

1) Chron. lib. IV, c. 23. Pertz, t. a. p. p. 777. Migne t. a. p.

*) Alpertus, de Div. temp. lib. I, c. 11. Migne Tom. 140, col. 460; Pertz, Mon. Germ. Script. IV, p. 705: «Ut a quibusdam insipientibns monachieam vitam illum agere derideretur.»

Sluiten