Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ons tevens herinnert aan den „graaf van heilige eenvoudigheid,” Ansfried. Want het lijdt geen twijfel, of wij hebben hier te doen met hetzelfde graf, „naast het munster in de ouderkerk,” waarin de H. Ansfried, volgens Thietmar, zijn gemalin Hereswit zelf heeft bijgezet ').

Reeds vóór den dood harer heilige moeder stond Benedicta, de waardige dochter van zulke ouders, aan het hoofd der abdij van Thorn. De verdachte stichtingsoorkonde houdt die overlevering levendig en zegt: „Dat de erfgenamen, de heeren van Streijen, mijne dochter en hare communauteit in gerechtigheid met de wapenen beschermen” Uitvoeriger spreekt Thietmar: „Ansfried stichtte op zijn erfgoederen een abdij te Thorn, waarin hij, met goedkeuring des Opperpriesters, zijne dochter aanstelde tot abdis en moeder van een groote schare godgewijde zusters. De abdij en alle daaraan beboerende goederen schonk hij aan den H. Lambertus tot heil zijner ziel. Wijl wij eens gewag maakten van Gods vrome dienares, zullen wij het wonderbare feit, dat de Heer door haar wrochtte, niet verzwijgen. Den plicht der heilige gastvrijheid niet vergetend, was zij jegens behoeftigen en vreemdelingen zoo vrijgevig, dat er op zekeren dag voor haar en de zusters geen wijn meer overbleef. Tot de keldermeesteres, die haar zulks berichtte, sprak zij: Wees gerust, beminde zuster, en houd goeden moed; de mildheid des Heeren kan ons ruimschoots voorzien. Daarna wierp zij zich in de kapel dér H. Maagd voor het kruisbeeld neder en begon te bidden. En er kwam wederom wijn in het

>) Thietmari Chron. lib. IV, eap. 23. Pertz, t. a. p. Migne, P. L. Tom. 139, col. 1260.

J. Habets, Archieven enz. I, bl. 7,

Sluiten