is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1896, 1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den scholaster ook over de openstaande cure gesproken en hem gevraagd, wien zij nu met de zorg voor de parochie moesten belasten: „Ende als onder anderen mentie viel van heer Henrick van der Hoeven ende heer Jelys van Veessem sachte syn Weerden, dat hij rechtevoert nyemande daartoe bequamer en kande dan heer Jelys. Begerende mitsdien dat een eers. Eaedt denselven solde willen annemen; ende beducht syn Weerden, dat men hem als pastoer daerinne nyet en behoirde te onthoeren, oft ingevalle men heer Jelys die administratie der Ouren nyet en solde willen committeren, dat men hem dan alleene den stoel wolde vergunnen. ’t Welck die gesanten angenomen te reporteren.”

In October 1568 hadden de afgevaardigden Arent toe Boekop en Ooenraedt van der Vecht weder een samenkomst met den scholaster, die naar Zwolle was gekomen. Zij beklaagden zich bij dezen, dat de stad nog altijd zonder pastoor was en verzochten hem maaatregelen te nemen, dat, zoo spoedig doenlijk. Kampen weer „mit einen residerenden pastoir of sus anders mit een bequamen vicecureyt ende capellanen versyen mochte

1) In de „Acta Visitationis” wordt hij genoemd Henricus Hoevius otïiciarius apud Cellitanos, secundus magister in Xenodochio S. Gertrudis.

2) In genoemde Aeta heet hij: Dominus AegidiusVessemius; ook; „In Xenodochio S. Gertrudis Campensis; Primus rector Ü. Egidius Vessemius; en verder: Vicarius Agathae vel primae Missae D. Aegidius Vessemius.” Dit altaar in de Bovenkerk was gesticht door Engela van Delden, den 25 Juni -1508, ter eere Gods, der H. Maagd en der H. H. Nicolaus en Agatha. Heer Jelys bleef na de hervorming te Kampen in genoemd gasthuis wonen en genoot levenslang de 17 heren pond 12 stuivers, die hij vroeger ontving voor het zingen van twee „orgelmissen” ter weke; hij overleed blijkens de rekeningen der Bovenkerk in ’tjaar 1592.