Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de zaakgelastigden van Keulen, wien de voortzetting van het appèl was toevertrouwd. Dan was de aansluiting volkomen naar wensch. Zóó vlot echter als de Keulsche appellanten zich hadden voorgesteld, ging het toch niet.

De kapittels van Munster en Osnahrück legden tegen vormelijke adhaesie een heslisten afkeer aan den dag '). Eerst den 15™ Februari 1845 vaardigde het Munstersche kapittel zijn antwoord uit. Een afschrift daarvan is bewaard in het Vatikaansch archief Politicorum Varia Tom. 58, ƒ. 36.

De domheeren van Munster ontwijken een pSositief antwoord en melden alleen, dat zij nog geen tijd hadden, om de noodige beraadslagingen te nemen, maar hiervoor langer uitstel behoefden. Ten slotte volgt de vriendelijke raad, dat men te Keulen van de voortzetting der appellatie mocht afzien en liever een vreedzame oplossing der gerezen moeielijkheden beproeven. Twee brieven, die later uit Munster naar Keulen werden gericht (t. a. p. fol. 37—40), zijn nog flauwer en kleurloozer van toon.

Ook te Luik maakte men geen dringende haast met de beantwoording van het Keulsche schrijven; veel minder nog met de gevraagde adhaesie. Den 20™ November schreef het Luiksche kapittel aan het Keulsche, een maand later de bisschep van Luik: dat zij op de gestelde vraag nog niet konden antwoorden, omdat de bisschep afwezig was, en dat er eerst gemeenzaam overleg moest plaats hebben. De zetel van Sint Lambert werd toen sedert September 1. 1. ingenomen door öeorges van Oostenrijk. Onder diens invloed

*) Vgl. Varrentrapp S. 242.

Sluiten