Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stad Utrecht was overgegaan. Bericht hierover levert ons Mr Jan van Ham, dorst en kastelijn op de Vaart, die kloek en vroom in zijne rekening neerschreef: „Item op Pynxter-dach anno twee en tachtich is den „Drossaart met missive van mijn Heeren (Regierders der „stad Utrecht) gesonden aan den Pastoor of Oapellaen „op de Vaart ende hem verboden sijn predicatien. Stelt „voer schipvracht ende teeringe 1 gl.” ') ’t Heeft hier allen schijn dat het kerspel Vreeswijk weer de prooi was van een man zonder liefde, die de schapen placht te scheren maar de hoede overliet aan een ander. Van eenige vicarie of kapelanie in de Vreeswijker kerk vindt men geen gewag, noch bij van Heussen, noch in de rekeningen van den rentmeester der geestelijke goederen, al placht deze laatste ook met valkenoog alom rond te schouwen. Als bezwarende omstandigheid komt nog hier bij, dat van Heussen heeft opgeteekend: Census personae a“ 1586 reperti 17 flor. 1 st. Persoon, kerkheer, helaas! geen herder, zielzorger. Maar genoeg hierover.

In 1582 moest de priester te Vreeswijk voor den predikant de plaats ruimen, moesten de Roomscben hunne aloude kerk, waarin het bezit van meerdere eeuwen hen bevestigd had, ontruimen voor een handvol Nieuwsgezinden, die op een stroowisch daar kwamen aangedreven. Getuige de Kameraars rekening der stad Utrecht, die loopt tot St Remi des jaars 1582. Daar luidt het: „Item Aryaen Gouwen, scipper, tot 19 reysen „den Predicant met andere burgers, die hem vergesel„schapten, gevuert van hier an de Vaert, om aldaar

1) A. Matthaeus, de Jure Gladii, bi. 261.

’) Historia Episcopatus Dltraject., I bl. 192.

Sluiten