Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

broederschap zelve, als om den datum van het noodlottige jaar 1572.

Verder schrijft de abt: „Actum op onse camer int doester van Jerusalem (te Oulenborch), 1 Julii 1573, 9 Nov. 73, 6 Mail 74.” ~Actum in ons buijs tot Culemborcb, 13 Jan. 74.” „Sindert wij int Cloester van Jerusalem gewent hebben tot desen dagbe toe, 29 Nov. 74.” „Item noch (gegeven), als wij nae Marienwerdt voeren,” kort na Aug. 75.” Actum 15 Oct. 76, ter presentie van onsen proost, Winsem”. „4 Febr. 77, ter presentie onsen coadjutor.”

Verder in eene rekening, overgeleverd door Corn. Grysbertssen: „Gelevert. .. . aen die Marieweertscbe meulen ende aen dat keesbuijs int cloester, anno 1577 ende 78, doen den abt, beer Jan van den Hove, met zijn conventualen wederom int ierst zijn babitatie badde genomen.”

Omtrent bun verblijf in bet „cloester van Jerusalem” zij bier in bet kort vermeld, dat zij eene overeenkomst hadden gesloten provisioneel in Januari 1573, en bij notariëele akte in Juli daaraanvolgende met de Sepulcrijnen of religieuzen van bet H. Graf te Oulenborcb, waarbij zij overeenkwamen om in bet zoogenaamd „Jerusalemsclooster” samen te wonen. Dit blijkt uit vier stukken, welke ik daarover vond. Drie Sepulcrijnen, welke de overeenkomst toekenden, vindt men beneden in de alpbabetiscbe lijst. Verder komt een brief voor van Richardus a Cruce, (wiens raad en goed-

») Uit later gevonden aanteekeningen blijkt dat hier Jan van Beers naoet bedoeld zijn, die vóór F. van Winsen coadjutor is geweest. F. van Winsen werd eerst coadjutor in 1579.

Sluiten