is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1902, 1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik-rsius, één jaar aati het zielenheil werkzaam, toen op zekeren dag de geheime vergadering door den schout werd overrompeld. Ontvluchten was onmogelijk, ontveinzen evenmin. Op heeterdaad betrapt, de plakkaten tegen de paapsche conventiculen te hebben overtreden, werd hij voor altijd buiten de palen der stad gebannen. Thans trok hij naar Amsterdam, waar de mildere koopmansgeest minder vervolgziek was. Na aldaar ook één jaar vertoefd te hebben, ging hij in 1637 naar Avenhorn, waar hij zijn ordebroeder P. Hyacinthus van der Mark in de herderlijke bediening opvolgde. Te midden der gevaren, voortdurend bedreigd met kerkerstraf en boete, voorzag hij onverschrokken in de geestelijke behoeften van het katholieke landvolk. Na meer dan twintig jaar dit vruchtbaar apostolaat te hebben uitgeoefend, ontsliep hij in den Heer te Goorn, den lo**®" October 1657.

Volgens een officieel verslag van het jaar 1636 was F. Bersius destijds reeds een grijsaard, door arbeid en ziekte gebroken. Krachtig werd hij evenwel, na de verbanning van P. Leerse, terzijdegestaan door zijn jeugdigen ordebroeder P. Theodorus Verwijnen, die met grooten ijver de onwetenden uit den omtrek in de geloofsleer onderrichtte, de zieken met de H.H. Sacramenten sterkte, en de zwakken en tragen in het geloof tot een nieuw leven opwekte, i) Dat echter zooals de Monumenta P. V. Cap. 11. p. 647 verhalen zelfs de predikanten naar zijne preeken kwamen luisteren, dit zijn wij, met het oog op de tijdsomstandigheden, zoo vrij te betwijfelen. In den

1) Relatio eorum quae per frs. Praéd. per Dei gratiam gernntvr in Missione Hollandiae ab anno 1636.

ARCHIEF XXIX.

5