is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1906 (2e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KORTE MEDEDEELINGEN.

305

hjk eiwit, dat reeds deel heeft uitgemaakt van het lichaam van een dier, geen zoo diepgaande ontleding en verandering noodig heeft, om deel van ons lichaam te worden als het eiwit uit het plantenrijk.

Hoe groot moet de dagelijksche hoeveelheid vleesch zijn? Ter beantwoording dezer vraag kunnen wij de opgaven van het vleeschverbruik der gegoede standen niet gebruiken, maar moeten onderzoeken wat goed gevoede, sterke werklieden, die hun voedsel vrij kiezen kunnen, noodig hebben. Hier vinden wij echter zeer groote verschillen, daar de verbruikte hoeveelheden vleesch per dag, al naar den verrichten arbeid van 92 tot 500 gram afwisselden; zoo als iedereen weet is de behoefte aan voedsel bij verschillende personen zeer verschillend; de een heeft dagelijks in zijn spijzen 150 gram eiwit noodig, de ander heeft aan 100 genoeg, zonder dat hij daarom minder arbeidsvermogen heeft. Laat men echter al zulke uitersten buiten rekening, dan kan men met C. Voit aannemen, dat iemand, die een niet overmatig zwaren arbeid verricht, genoeg heeft aan gemiddeld 175 gram vleesch, zonder been of vet. Zulk vleesch bevat gemiddeld 20 pCt. eiwit, en de genoemde hoeveelheid dus 35 gram; daar een volwassen mensch in gewone omstandigheden dagelijks tusschen 100 en 150 gram eiwit verteert, zoo moet dus ongeveer \ dier hoeveelheid door vleesch geleverd worden. Wegens de duurte van het vleesch is deze hoeveelheid in de dagelijksche voeding maar al te dikwijls voor velen niet bereikbaar, en wij staan dus nu voorde vraag:

Waardoor kan in de voeding van den mensch het vleesch vervangen worden? Als men van vleesch spreekt verstaat men daaronder in het algemeen alleen rund-, schapen-, kalfs- en varkensvleescb, ofschoon het vleesch van geiten, paarden, wild en gevogelte dezelfde scheikundige samenstelling heeft. Geiten- en paardenvleesch is wegens den minder aangenamen smaak niet zeer gezocht; buitendien is de hoeveelheid er van niet groot genoeg om voor de voeding van de groote massa des volks in aanmerking te komen; wegens den hoogen prijs geldt hetzelfde in nog grooter mate voor wild en gevogelte. Daarentegen is het vleesch der visschen voor volksvoeding uitstekend geschikt; wel beweert men dat visch minder gemakkelijk te verteren zou zijn dan vleesch, maar die bewering wordt door de proeven niet bevestigd. Het vleesch der visschen is wel armer aan bloed dan dat van ons slachtvee en bevat ook minder van die stoffen, die aan het vleesch zijn eigenaardigen, aangenamen smaak geven, maar overigens staat het in voedingswaarde niet daarbij achter. Daar vele visschen, zoo als kabeljauw, schelvisch, haring enz. betrekkelijk niet duur zijn, zoo is hun vleesch zeer geschikt om dat van het slachtvee te vervangen. Kunstmatige vischteelt zou uit dien hoofde zeker

W. B. II 1906. 20