is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

PASCAL.

Zulk een man was Pascal. Zulk een man was ook Gogol, die ons nader staat (ik geloof dat ik door Gogol Pascal heb leeren begrijpen), en beiden hebben dezelfde phasen doorgemaakt, hoe groot het verschil tusschen hunne geestesgaven ook was.

Beiden verwierven reeds vroeg den roem, dien zij zoo vurig begeerden, beiden zagen dadelijk, nadat zij hem verkregen hadden, de nietigheid in van wat hun het grootste en heerlijkste op aarde had toegeschenen, en beiden verfoeiden de verleiding, die hen in hare macht had.

Toen begonnen zij met macht en kracht de menschen aan te toonen, hoe noodlottig de dwaling is waarin zij waren vervallen, en hoe dieper hun inzicht op dit punt werd, des te dringender scheen hun de noodzakelijkheid toe een levensdoel, eene bestemming te hebben, die door niets aan het wankelen kon gebracht worden.

Vandaar de hartstochtelijke ijver van Gogol en Pascal voorde godsdienstkwestie, vandaar hunne geringschatting en onverschilligheid voor alles, wat zij vroeger gedaan hadden, daar dit slechts den roem beoogde. De roem is voorbij gegaan en in hem is niets dan bedrog; dus is alles wat gedaan werd om hem te verwerven onnut, erbarmelijk. Slechts een ding is de moeite waard, dat niet voor hen bestond, dat voor hen verborgen was door de zucht naar roem : de godsdienst die beteekenis geeft aan het tijdelijk leven en alle werk in het rechte spoor leidt. Deze overtuiging van de noodzakelijkheid van den godsdienst en een daarmede overeenkomstig leven, treft deze mannen zoozeer, dat zij zich verwonderd afvragen hoe zij zonder godsdienst hadden kunnen leven — hoe het mogelijk is, dat de menschen zonder godsdienst leven kunnen — zonder den godsdienst die hun de beteekenis leert verstaan van het leven en van den dood, die hen wacht. Maar zoodra zij dit ingezien hebben, spannen zulke menschen alle vermogens van verstand en hart in, om andere menschen uit die vreeselijke dwaling te helpen, waaraan zij zelf juist ontkomen zijn, en hun aan te toonen, dat men zonder godsdienst niet leven kan, dat slechts de godsdienst redding brengt en den menschen het scherm tracht te ontrukken, dat zij, zooals Pascal het