is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DEN GEESTELIJKEN EIGENDOM.

203

ring, verder levenslang 60 livres voor iedere voorstelling. Het recht der dramatische schrijvers en der toonkunstenaars werd dus beperkt tot hun leven.

De rechten der schilders zijn ook eerst langzamerhand vastgesteld. Dat zij zich langen tijd konden beveiligen tegen namaak, was te danken aan de organisatie der vakvereenigingen. Er was te Parijs eene vereeniging van Schilders en Graveurs, later de academie van St. Lukas. Onder Lodewijk XIV stonden Simon Vouet en Mignard aan het hoofd dier school, terwijl beëedigde ambtenaren nauwlettend toezagen, dat geen der leden misbruik maakte van teekeningen of modellen zijner collegas. Dit stelsel werd gewettigd door patentbrieven van Maart 1730, waarbij aan de leden der vereeniging verboden werd elkanders werken te kopieeren, te graveeren of er een afgietsel van te maken zonder schriftelijke vergunning van den oorspronkelijken maker.

Naast de Academie van St. Lukas was in 1648 de Koninklijke Schilder-academie opgericht onder voorzitterschap van Lebrun. Zij was ontstaan door het initiatief der kunstenaars, die uit de hoogte nederzagen op de eenvoudige meesters, waarvan velen noch schilders, noch beeldhouwers waren en zich tevreden stelden met „het vervaardigen van marmerwerken, tafels, muurlijsten, schoorsteenen, haarden en waschkommen, met vergulden, bronzen" enz. De Schilder-academie eischte, dat al haar leden, die teekeningen vervaardigden om ze te laten graveeren, of zelf te graveeren, er eerst kennis van moesten geven aan de beambten, opdat ze van een merk zouden kunnen worden voorzien. Zoodoende kon zij haren leden beletten namaaksels te vervaardigen.

Het schijnt evenwel, dat terwijl op deze wijze toezicht gehouden werd in den kring der eigen vereeniging, de leden van den eenen kring dikwijls die van den anderen benadeelden. In een bevelschrift van den Raad, gedateerd 21 Juni 1676, geteekend door Colbert, lezen wij: „De koning, vernomen hebbende dat sommige der Parijsche beeldhouwers zich verstouten een van de beeldhouwwerken der Koninklijke schilder- en beeldhouw-academie te laten afgieten en