is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

336

HET KARAKTER VAN DEN NATUURVORSCHER.

onderzoekingen tot nog toe gevorderd zijn, dit typische des te sterker aan het licht komt, hoe hooger de man staat; de gemiddelden vindt men in het algemeen onder de minder beroemde natuurvorschers. Daaruit blijkt al dadelijk het practisch nut van onze indeeling, (in de onderstellingdat zij juist is), daar het van het hoogste belang is de uitnemendste personen juist te beoordeelen, terwijl voor de middelmatigen de fouten, die ik mocht begaan, niet zoo zwaar wegen.

Deze beide typen noem ik de klassieke en de romantische ; de keus van een naam is in zulke zaken altijd moeielijk, daar de begrippen, die met dergelijke namen verbonden zijn, altijd maar gedeeltelijk op de nieuwe zaak van toepassing zijn ; alleen een duidelijke beschrijving en uiteenzetting kan den eigenlijken inhoud van het begrip weergeven. Ik heb daarom met deze namen vooreerst geen ander doel, dan den blik ongeveer in die richting te leiden, waarin de karakteristieke eigenschappen der bedoelde typen gezocht moeten worden.

Tot het klassieke type reken ik hen, die zich de grootst mogelijke volmaking van elk hunner werken ten doel stellen, terwijl bij het romantische type tal van denkbeelden opkomen, waaraan dringend uiting gegeven moet worden, nog vóór dat zij ten volle uitgewerkt zijn. Zoo acht ik den wiskundige Gauss een typisch voorbeeld van de klassieken, terwijl de scheikundige Liebig een even karakteristiek romanticus is. Uit deze voorbeelden kan men al dadelijk zien, dat het tweede type, ondanks de wijze waarop ik haar zoo even kenschetste, geenszins bij het eerste achterstaat, wat zijn beteekenis en zijn nut voor het menschdom betreft. Dat is het gevolg van eigendommelijkheden, die met die kenteekenen ten nauwste samenhangen.

De behoefte eiken arbeid zoo volmaakt mogelijk te maken, leidt bij de klassieken tot een groote mate van terughoudendheid, wat betreft de mededeeling van denkbeelden, die zij nog niet voldoende uitgewerkt achten. Uit de briefwisseling tusschen Gauss en zijn vrienden blijkt telkens weer, hoeveel zaken deze groote geleerde gereed had liggen, maar toch niet publiek maakte omdat hij ze nog niet vol-