is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

430

EENIGE ONTHULLINGEN OMTRENT OE FEITEN ENZ.

Verheffing tot kolonel-generaal, benoeming tot Hertog van Lauenburg en uitbundige dankbetuiging voor zijn allergewichtigste diensten. Begrafenis eerste klasse. Zijn groote voorganger, de vrijheer Von Stein, had zijn ontslag met vrij wat erger blijken van ongenade zien gepaard gaan. Omdat die groote staatsman, in 't belang van vorst en volk, zich verstout had den koning tegen te spreken, toen deze zijn wil te kennen gaf, schreef Eriedrich Wilhelm de Derde hem de volgende liefelijkheden:

„Met groot leedwezen heb ik moeten bespeuren, dat ik mij helaas in den beginne niet in u heb vergist, maar dat gij integendeel te beschouwen zijt als een weerspannig, overmoedig, hardnekkig en ongehoorzaam staatsdienaar, die, op zijn genie en talenten pochend, wel verre van 's lands welzijn voor oogen te hebben, slechts door nukken geleid, uit hartstocht en uit persoonlijken haat en verbittering te werk gaat. Dergelijke staatsbeambten zijn echter juist diegene, wier handelwijze de nadeeligste en gevaarlijkste uitwerking heeft op het bijeenhouden van het geheel. Het doet mij innig leed, dat gij mij in de noodzakelijkheid hebt gebracht, om zoo ondubbelzinnig tot u te spreken. Gij beweert echter een waarheidlievend man te zijn, en daarom heb ik u in goed Duitsch mijn meening gezegd, waarbij ik nog te voegen heb, dat, wanneer gij niet van zins zijt uw oneerbiedig gedrag te veranderen, de Pruisische staat verder niet op uwe diensten heeft te rekenen".

Zelfs de groote historicus Treitschke, anders een vurig verdediger van dezen koning, moet bekennen, dat deze „van kindsbeen af aan dagelijkschen omgang met alledaagsche lieden gewend, zijn ingeschapen afkeer van het geniale, stoutmoedige, buitengewone maar zelden kon onderdrukken. Die niets ontziende vrijmoedigheid, welke een sieraad is van den echten Germaan, maakte hem zenuwachtig." Geen wonder, dat Bismarck ook aan het lot van Stein dacht, toen hij na zijn ontslag zich aldus uitliet: „Ondankbaarheid is een erfelijke smet op het stamhuis Hohenzollern. Onder al de Pruisische koningen zijn alleen Prederik de Groote en keizer Willem de Eerste daar geheel vrij van gebleven".