is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DEN GEESTELIJKEN EIGENDOM.

459

auteursrecht, iedere verminkte uitgave van het werk, duidelijk als zoodanig worde aangewezen. Dan kan het publiek weten, dat men niet met het ongewijzigd oorspronkelijk werk te doen heeft, maar met eene bewerking er van.

Is het zóo gelegen met veranderingen door reproductie aangebracht, dan schijnt het, dat men gestrengere maatregelen zou kunnen nemen, om cle aanslagen op de individualiteit der werken zelve tegen te gaan. Als er van een letterkundig werk een foutieve, verminkte druk uitkomt, als een tooneelstuk veranderd en pasklaar gemaakt is voor den smaak van het publiek, als een muziekwerk slechts in brokstukken wordt ten gehoore gebracht, is het daardoor begane onrecht toch gering. Hoe groot de verminking moge zijn, zij is voorbijgaand. Iets geheel anders is het, als vermindering of bijvoeging aangewend wordt op het werk zelf, waarin de gedachte van den auteur zich heeft belichaamd. Wij hebben reeds als onze meening te kennen gegeven, dat men aan den eigenaar van een stoffelijk voorwerp het recht niet kan ontzeggen het te gebruiken of te misbruiken. Maar op dezen regel zijn toch uitzonderingen. Het zedelijk recht des ontwerpers is in sommige gevallen één met het openbaar belang. Het schijnt duidelijk, dat de Staat, als het een nationaal belang geldt, de auteurs niet slechts beschermen mag tegen de vernieling hunner werken, maar ook tegen de beschadiging waaraan die werken mochten bloot staan.

Wij zouden nu nog kunnen onderzoeken in hoever het geoorloofd is, na den dood van een schrijver zijne brieven aan derden gericht, openbaar te maken, zelfs wanneer de termijn van het geldelijk recht is afgeloopen. Het schijnt, dat de erfgenamen van hun zedelijk recht op de onderteekende brieven kunnen gebruik maken en zich tegen de uitgave verzetten.

Nog andere vragen zouden kunnen worden geopperd.

Zooveel is in elk geval zeker; auteurs hebben een bijzonder recht, gegrond op de onschendbaarheid van hun persoon en van hun gedachte; een recht, wel is waar tot nog toe onvolmaakt en onvolledig afgebakend, maar waarvan de grenzen moeten worden bepaald en de toepassing moet worden vastgesteld.