is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1)0

KANT EN BOEDDHA.

ling te begrijpen.1 Ik herinner me heel goed hoe ik, vele jaren geleden, bijna wanhopig werd toen ik het voor het eerst bestudeerde; en ik heb nog een uittreksel, waarin ik neerschreef hetgeen mij ten slotte de juiste beteekenis scheen. Bij mijne poging de hoofdtrekken van dit werk weer te geven, zal ik dit uittreksel voor mij leggen, in de hoop dat het anderen helpen mag, zooals het mij geholpen heeft,

In de eerste plaats moeten we nu onze aandacht schenken aan het woord Kritik. Het werk van Kant is bij uitstek kritisch. Maar wat kritiseert het? „Geene boeken of stelsels", maar, zooals hij zelf zegt, „de macht der rede over al die soorten van kennis waarnaar ze kan streven onafhankelijk van eenige ervaring.» Ëéne vraag welke moet beantwoord worden is deze: „de mogelijkheid of onmogelijkheid van het bestaan van metaphysica in 't algemeen». Tot dien tijd trachtte het metaphysische dogmatisme tot een zelfstandig bestaan te komen door cle methodes, welke met goed gevolg gebruikt waren bij cle studie der verschijnselen, uit te breiden tot het bovenzinnelijke gebied. Dit dogmatische gebruik der rede, zonder eenige voorafgaande kritiek op de macht der rede, is volgens Kant oorzaak van al het stelselmatige ongeloof, hetwelk zoo vijandig staat tegenover de zedelijkheid.2 Kant streefde er naar zulk eene kritiek uit te oefenen.

In cle eerste plaats maakt hij onderscheid tusschen zuivere en op ervaring steunende kennis. „Al onze kennis,» merkt hij op, „begint met ervaring, maar hieruit volgt geenszins, dat zij geheel en al haren oorsprong heeft in ervaring.» Het zou wel kunnen zijn dat ervaring zelf is opgebouwd uit twee elementen: het eene afkomstig van de zin-

1) Max Müller spreekt in de voorrede van zijne vertaling van de Kritik der Seinen Vernunft als zijne meening uit, dat „de onduidelijkheid van Kant eensdeels daaraan te wijten is, dat hij meer voor zich zelf schrijft dan voor anderen en anderdeels, dat hij zich bij het verdedigen van eene stelling niet wendt tot de jury maar tot den rechter."

2} „Ist die wahre Quelle alles der Moralitat wiederstreitenden TJnglaubens der jederzeit gar sehr dogmatisch ist," zijn zijne krachtige woorden ; en zij zijn belangrijk, daar zij den intensief zedelijken geest, waarin hij schreef, doen uitkomen.