is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRIMITIEVE GODSDIENSTVORM.

123

land, de z.g. Murri, daar geïmmigreerd, want de australiese hond, de dingo, behoort niet tot de oorspronkelike inheemse fauna, en moet dus 'n door de bruine mensen meegebrachte immigrant zijn.

Op de bond zijn dan andere diersoorten in de dienstbaarheid gevolgd, zoals 't rendier en 't schaap, verder de geit, 't rund, eindelik de kameel en 't paard. Alle huisdieren waren eenmaal heilige (onschendbare) dieren, n.1. als totems, en ze zijn dit in veel gevallen ook gebleven, zoals bij verscheidene afrikaanse nomadevolken, vooral bij volken, die aan de oorspronkelike godsdiensten taai vasthielden. Zo was b.v. bij de Egyptenaren niet alleen de verering van 't rund in de apisdienst, die van de ram in de bok van Mendes gehandhaafd gebleven, maar waren ook 'n groot aantal andere dieren, waaronder zelfs de krokodil, in enkele streken heilig. Ook bij de Ariërs was 't rund 'n heilig dier, dat de Grieken met Dionysos vereenzelvigden ('&ga TaopS! hoog vereerde stier!); terwijl ook paard en hond als heilig beschouwd werden.

Nog meer dergelike voorbeelden zouden kunnen worden vermeld.

Van de omstandigheid, dat zulke heilige dieren als beschermgeesten niet alleen vereerd, maar ook als huisgenoten gehouden werden, was hun dienstbaarheid 'n gevolg, en daarmee stond weer de kolossale stap-vooruit in verband van 't wilde jagersleven tot 't herdersleven, waardoor de grondslag van de eigenlike beschaving gelegd werd 1.

De opvattingen, die men tot nu toe omtrent 't ontstaan van de dienstbaarheid van de huisdieren had, zijn onhoudbaar, als men de feiten wat meer van nabij beschouwt, 't Is geheel onaannemelik, dat de mens begonnen zou zijn dieren te temmen met de bedoeling nut te kunnen trekken van hun vlees of hun lichaamskracht. Hoe zou de ruwe natuurmens zulke pogingen hebben kunnen aanwenden, als 't begrip huisdieren 'm nog geheel vreemd was? Overwegingen

1) Deze verhouding heeft F. B. Jevons in z'n werk An introduction to the history of religion, vooral blz. 113—129 grondig en duidelik uiteengezet, hoewel misschien niet alles wat hij aanvoert steekhoudend mag genoemd worden.