is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REFERENDUM EN VÓLKS-INITIATIEF IN ZWITSERLAND.

209

aangebracht zonder verplicht referendum, m.a.w. zonder dat zij aan de stemming der kiezers waren onderworpen en door de meerderheid der uitgebrachte stemmen goedgekeurd.

Bij de grondwetsherziening van 1874 werd daarnaast bepaald, dat alle voor den geheelen bond geldende wetten en besluiten aan het referendum van het zwitsersche volk moesten worden onderworpen, zoodra zulks door 30000 burgers of 8 kantons verlangd werd.

Vermits nergens in de constitutie nader omschreven is, wat eigenlijk onder een voor den geheelen bond geldende wet of besluit moet worden verstaan, wordt dit voor elk geval door den Nationalen Raad beslist. Het ligt voor de hand, dat bij een op zijn rechten zoo naijverig volk als het zwitsersche, de beslissingen van den Nationalen Raad ten deze herhaaldelijk aanleiding tot critiek gaven. Om aan de kiezers behoorlijk tijd te laten om te overwegen, of zij van hun recht om een referendum te vragen, al dan niet zullen gebruik maken, is voorgeschreven, dat alle wetten en besluiten, die geacht worden tot deze categorie te behooren, eerst mogen worden uitgevaardigd, wanneer binnen 90 dagen, nadat zij door de vertegenwoordiging van den bond zijn aangenomen, geen voorstel tot een referendum is ingekomen.

Dat het recht om een referendum te vragen zeer gewaardeerd wordt, moge blijken uit het feit, dat van 1874 tot 1895 182 wetten werden aangenomen, waarop referendum mogelijk werd geacht en dat dit voor 20 wetten, alzoo in 1 van de 9 gevallen gevraagd werd. Van de vermelde 20 wetten werden door de kiezers 14 verworpen en 6 goedgekeurd. Gedurende dezelfde 21 jaar werden 10 amendementen op de Constitutie aan het oordeel der kiezers onderworpen, die daarvan 6 aannamen en 4 verwierpen.

Laten we nu nagaan, welke wetten het alzoo waren, waarop het referendum werd toegepast.

De eerste van die wetten was in 1875 eene wet, bepalende aan welke burgers wegens bankbreuk, onvermogen om in eigen onderhoud te voorzien, enz. het kiesrecht moest worden onthouden.

Deze materie was te voren in elk der kantons op zich zelf en alzoo verschillend geregeld. Hier stonden alzoo, zoo-

W. B. III, 1907. 14