is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (4e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

350

ALT-HELDELBEKG.

kan een kwestie van opvatting zijn, maar gewoonlijk is het meer de laatste dan de eerste, die den lof en de waardeering der wereld inoogst.

Het denkbeeld om geld te maken uit zijn ontdekkingen, of er patent op te nemen, is nooit bij Bunsen opgekomen. Ik herinner mij nog, hoe wij eens over een vroegeren leerling spraken, wiens wetenschappelijke kennis hij zeer hoogschatte. „Ik kan mij dien man niet begrijpen," zeide hij, „hij heeft ontegenzeggelijk veel wetenschappelijk talent en toch is zijn eenige gedachte geld te verdienen, en ik heb gehoord, dat hij al een groot vermogen bijeengegaard heeft; is dat niet een merkwaardig geval?" Waarop ik hem antwoordde, dat ik het niet zoo zonderling vond.

Hoe bracht zoo'n man zijn dag door? In den zomer stond hij 's morgens zeer vroeg op, dikwijls bij het aanbreken van den dag, om in het laboratorium een of andere proef te nemen of een verhandeling af te maken. Nadat hij aan het ontbijt zijn kop koffie gebruikt had, die hem, zooals hij placht te zeggen evenveel genot verschafte als een dosis senebladen-thee, ging hij naar de collegezaal en controleerde zorgvuldig de toebereidselen voor zijn college, dat om acht uur aanving. In tegenstelling met vele andere professoren liet hij het uitvoeren der proeven, waarmede hij zijn colleges verduidelijkte, nooit aan zijn assistenten over; niet alleen bedacht hij ze zelf, doch hij voerde ze met zijn eigen vaardige handen uit, en uit alles wat hij zeide of deed, sprak oorspronkelijkheid, zoowel uit het onderwerp als de verklaring. Zooals te begrijpen is, bediende hij zich nooit van een boek, en beriep er zich ook niet op; zelfs vermeed hij altijd druk opslaan van handboeken. De twee eenige leerboeken, die ik hem een enkelen keer zag gebruiken, om enkele feiten na te kijken, waarvan hij niet geheel zeker was, waren die van Gmelin en van Roscoe en Schorlemmer. Wanneer een student hem in een leerboek iets aanwees, dat hij voor onjuist hield, placht Bunsen glimlachend te zeggen: „de grootste helft van hetgeen er in de boeken staat, is onjuist."

Na afloop van het college vond hij over de honderd studenten in zijn laboratorium op hem wachten; een gedeelte